Doodse stilte #28: ‘Als ik hier nou blijf liggen… gewoon blijf liggen… Volledig stil’

doodse stilte saskia idema

Iedere week kun je op VIVA.nl een hoofdstuk lezen uit het ontroerende boek Doodse stilte van Saskia Idema. Ben je klaar voor een nieuw hoofdstuk…?

Als ik hier nou blijf liggen… gewoon blijf liggen… Volledig stil. In het zand.
Zonder ook maar enig geluid te maken. Zonder me te bewegen.
Zal de wereld dan heel eventjes stoppen met draaien? Zal alles dan gewoon even op pauze staan? Zal de intense pijn, het gemis, de onmacht… dan even stoppen? Zal Leon dan voor heel eventjes gewoon terug zijn? Niet in die kist in dat grote witte gebouw… Maar gewoon… hier. Bij mij?
Mag ik dan heel eventjes dromen dat ik zijn sterke armen weer om mijn middel voel? Zijn warme lippen op mijn voorhoofd, voor een geruststellende en liefdevolle kus? Mag ik nog één keer in zijn felblauwe ogen kijken en hem zeggen hoe ongelooflijk veel ik van hem houd?
Ik heb het hem niet gezegd.
Ik sluit mijn ogen en probeer te negeren dat mijn lichaam koud aan het worden is. Langzaam en zachtjes haal ik haperend adem. Ik voel het prikkende steentje tegen mijn wang niet. Ik voel de koude en gure ochtendwind amper. Ik voel enkel en alleen de pijn van een gebroken hart.
Je leest erover. Je hoort er weleens over. Maar deze pijn is echt aanwezig. Het voelt alsof iemand een mes tussen mijn ribben heeft gedrukt en er snel uit heeft getrokken. Die pijn is het enige wat ik voel.
De rest… het maakt me allemaal niets meer uit.
Ik blijf hier gewoon liggen.
Alle tranen heb ik eruit gegooid, alle emotie heb ik eruit geschreeuwd.
Ik ben leeg.
Op.
Ik doe niet meer.
Het lukt niet.
Mijn ogen zijn nog maar half open en ik zie flitsen van ons leven voor me. Ons leven toen we nog maar met ons tweeën waren. Ons leven met de kinderen. Ik zie zijn ogen voor me en hoor zijn stem fluisteren in mijn oor.
Trillend adem ik in. Voorzichtig, om niet al te veel geluid te maken en adem met schokken weer uit.
Ik voel een warme hand op mijn schouder, in mijn hals.
Ik kan me niet bewegen, wil me niet bewegen.
Een gestalte buigt zich over me heen en ik ruik de frisse geur van menthol. Ik probeer op te kijken, maar het voelt te vermoeiend om mijn ogen verder open te doen.
Ik heb het hem niet gezegd.
Ergens in de verte hoor ik een stem die me bekend voor komt.
‘Ja… Ambulance… snel…’
Laat me met rust.
‘Esmee? Ben jij het? Hoor je mij?’
Ga weg. Laat me met rust.
Dan wordt er aan mijn schouder getrokken. Van mijn zij word ik met kracht op mijn rug gedraaid. Ik voel dat er iets warms over me heen wordt gelegd en ik open met moeite één oog.

Ik zie zijn blauwe ogen en ik voel ergens in mijn lijf een euforisch gevoel.
Leon.
Hij leeft.
‘Kijk me aan, Esmee.’ De stem wordt duidelijker.
Ik open mijn andere oog en zie een troebel beeld met de twee felblauwe ogen in het midden.
Leon. Het is hem echt.
Godzijdank. Hij leeft.
Mijn lichaam vult zich met warmte en verrukking.
‘Heb je pijn?’
Dit is niet Leons stem.
Ik knipper een paar keer met mijn ogen. Het troebele beeld verdwijnt langzaam en maakt plaats voor een bekend gezicht. Een bezorgd gezicht.
‘Kunnen we iemand voor u bellen?’ De woorden galmen bijna door mijn hoofd, terwijl ze niet uitgesproken worden.
Het is Marc. De politieagent.
Verdwaasd kijk ik hem aan. Wat doet hij nou hier?
Ik zie dat hij een wit T-shirt draagt. De oordopjes van zijn telefoon hangen losjes over zijn schouders.
‘Esmee, er is een ambulance onderweg. Kan je me antwoord geven?’
Ik open mijn mond en probeer om iets te zeggen, maar er komt geen geluid uit mijn mond. Ik ga met mijn tong over mijn lippen. Mijn mond en lippen zijn kurkdroog.
Ik voel een flesje tegen mijn lippen en doe mijn mond iets open.
Dan voel ik koud water mijn mond inlopen, een paar druppels lopen via mijn lippen richting mijn kin. Ik slik de pijnlijke droogte, die in mijn keel is ontstaan, weg met het water.
‘Goed zo, drink maar.’
Ik kijk op en hoewel ik dacht dat de tranen op waren, komen ze weer tevoorschijn als ik in zijn ogen kijk. De overeenkomsten zijn duidelijk aanwezig en ik voel zijn ogen in de mijne branden. 
‘Ik begrijp dat dit niet voor u te bevatten is, mevrouw.’ Ik hoor het hem, in mijn hoofd, opnieuw zeggen.
‘Heb je pijn, Esmee?’
Ik knik. Ja.
‘Kan je zitten? Wacht, ik help je.’
Ik voel zijn warme hand die de mijne pakt en zijn arm onder mijn rug. Hij helpt me overeind en ik voel zandkorrels van mijn wang afvallen.
Ik word wat duizelig en sluit even mijn ogen.
‘Rustig maar, rustig maar,’ zegt hij vriendelijk.
Ergens in de verte hoor ik de sirenes van een ambulance.
‘Wat is er gebeurd? Ben je gevallen?’
Ik schud langzaam mijn hoofd. Niet in staat om een woord uit te brengen.
‘Ben je gewond?’ Zijn ogen gaan langs mijn gezicht, langs mijn haar. Hij zoekt naar een verwonding.
Ik schud weer mijn hoofd.
‘Nee,’ fluister ik. Mijn stem kraakt.
Ik hoor de sirenes dichterbij komen en ik zie dat Marc opkijkt. Ik hoor geritsel en ik hoor vreemde stemmen dichterbij komen.
Dan knielt er iemand anders naast me neer. Ik kijk naar links en zie een oudere vrouw, die meteen mijn pols pakt.
Ga weg. Laat me met rust.
Maar ik heb er de kracht niet voor. Het is makkelijker om haar haar gang te laten gaan. Ik sluit mijn ogen en laat haar. Wat maakt het me ook uit.
‘Wat is er gebeurd?’ hoor ik haar vragen.
‘Ik heb geen idee, ik was aan het joggen en vond haar hier.’
‘Mevrouw, weet u wat er gebeurd is?’ Haar stem is duidelijk en doortastend.
Ik kijk haar aan. Ze heeft rossig haar en veel sproetjes. Heel veel sproetjes. Wel honderden. Haar wimpers zijn licht van kleur en worden beschermd door een zilverkleurig montuur.
Ik staar naar haar gezicht en voel dat er iets om mijn arm wordt geschoven. Dan voel ik een druk op mijn arm ontstaan.
‘Esmee, ze heet Esmee. Ze heeft net haar man verloren,’ hoor ik Marc zeggen.
Leon. Mijn Leon. Hij is weg. Voor altijd.
‘Esmee, wat is er gebeurd?’
Ik blijf haar aanstaren. Haar sproetjes hebben allemaal een eigen vorm. Wat een bijzonder gezicht. Het lijkt of sommige in elkaar overlopen.
Ik zie haar een blik uitwisselen met Marc als ik de druk op mijn arm voel afnemen.
‘Heb je ergens pijn?’
Die wimpers zijn echt licht van kleur. Wat ziet dat er gek uit. Gek, maar wel mooi. Uniek. Zelfs onder haar ogen zitten sproetjes. Veel.
Ik heb het hem niet gezegd.
‘Esmee!’ Haar stem klinkt harder. ‘Heb je ergens pijn?’
Ik heb het gevoel dat ik wakker word geschud en ik knipper een paar keer met mijn ogen, terwijl ik mijn hoofd een beetje heen en weer schud om mezelf alerter te maken.
Ik schud mijn hoofd wat sneller.
‘Nee.’ Mijn stem kraakt nog steeds.
‘Wat is er gebeurd, Esmee?’ Hoor ik Marc vragen.
Ik durf mijn hoofd niet bij te draaien. Ik wil zijn ogen niet meer zien. Ik kan het niet. Zonder antwoord te geven, probeer ik overeind te krabbelen.
‘Rustig, rustig!’ hoor ik een andere stem.
Oh, er zit schijnbaar ook nog iemand achter me.
‘Ik ben gewoon gevallen, het gaat wel,’ mompel ik, terwijl ik opsta.
Ik ga met mijn hand over mijn wang en veeg hiermee nog meer zand weg.
‘Het gaat echt wel. Ik moet naar huis.’
Vanuit mijn ooghoek zie ik dat Marc me bezorgd aankijkt.
‘Ik wil je graag nog even wat verder onderzoeken,’ zegt de vrouw.
Nee. Laat me met rust.
‘Ik wil gewoon naar huis.’ Al wankelend probeer ik weg te lopen.
Dan voel ik dat iemand mijn arm pakt en me helpt om overeind te blijven.
‘Ik breng je naar huis,’ Marc kijkt me vriendelijk aan.
Even wil ik tegenstribbelen, maar wat maakt het mij ook uit. Als hij mee wil lopen, loopt hij mee. Als hij maar niet denkt dat ik een heel gesprek ga voeren.
Ik haal daarom mijn schouders op en mompel iets in de trant van ‘oké en ‘best’ voordat ik aanstalten maak om weg te lopen.
Ik heb het hem niet gezegd.
Laat me met rust.
Marc zegt nog iets tegen de mensen van de ambulance en loopt dan met me mee. In stilte lopen we terug. Ik zet de ene stap na de andere. Ik voel, behalve af en toe een duizeling, helemaal niets. Mijn gedachten gaan alle kanten op.


Een baby. Een baby.
Maar hoe dan? Hoe moet ik dit gaan doen? Ik kan dit toch niet alleen?

Thuis aangekomen klop ik op de voordeur. Het was een beste wandeling, ik heb ver gerend schijnbaar.
Ik wil nu gewoon slapen. Verder niks. Laat me met rust.
De deur gaat open en Vera staat met rode ogen en een betraand gezicht in de deuropening.
‘Kom terug, Jesse, ze is er. Ze is hier’ zegt ze door de telefoon die ze in haar rechterhand heeft.
Oh, ze heeft mijn vader aan de lijn.
‘Esmee, mijn hemel, waar was je?’ Ze doet een stap naar voren om me in haar armen te nemen. Ze slaat haar armen om me heen, maar het doet me niks.
‘Even weg,’ zeg ik zachtjes.
Vera kijkt naar Marc en steekt haar hand uit.
‘Hai, ik ben Vera.’
‘Marc van Tijn,’ zegt hij, terwijl hij haar hand pakt. ‘Ik heb Esmee gevonden.’
‘Marc heeft me verteld dat Leon dood is,’ zeg ik bot tegen Vera, terwijl ik naar binnen loop.
Verbijsterd kijkt Vera van mij naar Marc.
‘Hoe bedoel je? Verteld? Esmee… Dit wist je al. Toch?’
Marc schraapt zijn keel.
‘Afgelopen vrijdag ben ik hier met een collega geweest. Ik ben agent en wij hebben Esmee helaas het slechte nieuws moeten brengen.
‘Ah.’ Ik zie een nu-snap-ik-het blik op Vera’s gezicht, terwijl ik doorloop en mijn gympies uittrap. Waar ze eerder mooi wit waren, zijn ze nu aan één kant donkerbruin door het zand. Ik voel zandkorrels uit mijn haren vallen.
‘Ik ga naar bed, ik moet slapen.’
Vera kijkt me met haar rode ogen aan.
‘Je vader komt eraan, hij was je aan het zoeken.’
Ik haal mijn schouders op.
‘Ik ben moe. Ik zie hem straks wel.’ Het maakt me allemaal niks uit.
Laat me met rust.
Zonder verder nog iets te zeggen, ga ik de trap op. Ik ga regelrecht naar het toilet. Het glas met de urine en de test liggen nog op dezelfde plek als eerder.
Vera heeft het niet gezien, gelukkig.
Ik gooi de urine weg en spoel het glas om met wat handzeep. Het doosje en het plastic gooi ik in de prullenbak.
Ik pak de test en zie weer twee duidelijke strepen staan. Ik zucht en houd de test tegen me aan. Dan loop ik naar mijn slaapkamer en leg de test in de lade van mijn nachtkastje.
Ik kruip in bed en als ik onder de deken lig leg ik mijn hand op mijn onderbuik. Waarom moet je juist nu onderweg zijn?
Ik voel meteen mijn ogen wegdraaien en ik zak in een diepe, diepe slaap.

Over Doodse Stilte

Op VIVA kun je iedere week een nieuw hoofdstuk van Doodse Stilte lezen. Lees jij liever dit prachtige boek in een keer uit? Je kunt het hier bestellen.

Over Saskia Idema

Saskia komt uit Hengelo en is docente, schrijfster en bovenal moeder. Moeder van maar liefst drie kinderen: Niels (2010), Lieke (2012) en Emma (2016). Al van jongs af aan is schrijven haar uitlaatklep voor alle bizarre, mooie en pijnlijke hersenspinsels.

Op de hoogte blijven van de leukste artikelen en winacties? Schrijf je in voor de VIVA-nieuwsbrief.

VIVA banner