Een steekje los

Er stond een vuilniszak in de logeerkamer, met daarop mijn naam. Er stak een roze-bruin puntje uit de zak omhoog. Nostalgische gevoelens overvielen me. Mijn allereerste knuffel. De meeste kinderen hebben een beer of een pop. Ik had Nappel. Een knalroze nijlpaard met een afgesabbeld staartje.

Spraakgebrek en sabbelwoede

Met twee vingers trok ik het groezelige vodje aan zijn keiharde staartje omhoog. Nappel dankt zijn naam aan mijn spraakgebrek en zijn harde staartje aan mijn sabbelwoede. Nappel is een vrije vertaling van ‘nijlpaard’. Hij was een stuk bruiner dat dat ik me hem herinnerde. Zijn tong hing nog aan twee steekjes vast. Zijn dieptepunt zal rond 1996 zijn geweest en zo te zien was hij daarin blijven hangen.

In volle glorie
Naast de vuilniszak vond ik een mand met naakte barbiepoppen. Vooral Ken had het zwaar te verduren gehad tijdens mijn jeugd, getuige de tandafdrukken in zijn voet. Maar hij was niet de enige. Een aantal barbiepoppen kampten met een chronische bad hairday, na een akkefietje uit de tijd dat ik nog kapster wilde worden. Mijn barbiepaard lag met zijn enorme anus in volle glorie omhoog tussen zijn naakte vriendinnen. Heel even vroeg ik me af waarom er zo’n gapend gat zat. Toen herinnerde ik me de staart, die er ooit zat.

Kijk mam, zonder handen
Ik had ook poppen. Suza was een klein popje, met een wit kraagje, waarop ik eens met een benzinestift en mijn achtjarige onderontwikkelde fijne motoriek getracht had ‘Suzanne’ te schrijven. Vandaar dat ze vanaf dat moment door het leven ging als Suza.
Annet was even groot als ik en miste haar linkerhand. Ik weet niet of het mijn dwangmatige drang naar symmetrie was, of het feit dat ik in de gaten had dat het kapot kon, maar het duurde niet lang voordat ze beide handen kwijt was.

Lieve Chanan
Chanan was mijn lieveling. Haar gezichtsuitdrukking stond op standje ‘getraumatiseerd’ en ik kan me achteraf levendig voorstellen dat dat niet voor niets was. Haar hoofd was hol en na een paar ongevalletjes waarbij ze per abuis een voet in haar gezicht getorpedeerd kreeg, bleven haar neusvleugels aan haar achterhoofd plakken. Ze was al geen schoonheid, maar deze incidentjes kwamen haar gelaatsuitdrukking niet echt ten goede. Ze was een heel lieve pop, om het maar kort samen te vatten. Je hoeft er geen hoogdravende psychologie op toe te passen om te constateren dat ik zo content met haar was omdat ik me met haar het beste kon identificeren.

Het was 1996. Ik zat rechtop in bed met mijn knuffels keurig gerangschikt om me heen. Ik sprak ze hoopvol toe: ‘Lieve knuffels. Als jullie kunnen praten, dan mogen jullie dat best zeggen. Ik zweer hierbij dat ik het nooit door zal vertellen. Ik heb het beste met jullie voor.’
Ik zie ze nog met een sceptische blik terug kijken.

Een steekje los
Voordat ik Nappel terug stop in zijn vuilniszak werp ik nog een blik op mijn jeugd. Ik weet niet wat ik met de beste bedoelingen met ze uitvrat, maar ze waren er met zijn allen niet best vanaf gekomen. ‘Sorry..’ probeer ik nog, maar ze blijven zwijgen. Of dat voortkomt uit een posttraumatische stressstoornis zal ik wel nooit te horen krijgen. Mijn blik gaat van mijn barbiepaard naar Nappel en doe nog een laatste poging. ‘Je hoeft niet zo te kijken. Jij heb tenminste nog een staart. Zeg dan wat! Ben je soms je tong verloren? Of zit er een steekje los bij je?’ Oh…

© Beeld: privébezit
Lees hier meer blogs van Mayke