De takkendieven

Er zijn een heleboel dingen die ik eng vind. Voor groepen spreken, vanaf grote hoogte naar beneden kijken, horrorfilms en het donker zijn nog maar het topje van de angstijsberg. Regelmatig komen daar ook nieuwe aanwinsten bij – meestal op het moment dat we verhuizen. Helaas doen we dat nogal vaak, en ieder nieuw huis heeft iets engs.

In vuur en vlam
In mijn Groningse studentenkamer was ik altijd bang voor brand, omdat ik op de bovenste verdieping van het gammele huis woonde. Overal lag het vol met verlengsnoeren en losse kabels. De smalle gangetjes hingen het altijd vol met was. Voor een vluchtweg moest ik me in geval van brand door een gang vol (waarschijnlijk inmiddels) brandend wasgoed heenworstelen óf uit het raam van mijn kamer springen en drie verdiepingen lager op straat te pletter slaan.

De Flatzwerver
In Enschede voelde ik me heel veilig, tot ik eens oog in oog stond met een enge zwerver die naar binnen was geglipt en bij iedereen aanbelde. Hij verschanste zich ergens in het gebouw en maakte een nestje van gestolen deurmatten. Soms drukte ik op het knopje van de lift, om vervolgens een snurkende hoop vodden in de krappe ruimte aan te treffen. De beste man was wel goed voor mijn conditie; ik nam ineens veel vaker de trap.

De grafhut
Maar het engst vond ik mijn ervaring in een dorpje vlakbij Groningen. Lau en ik woonden tijdelijk antikraak in een boerderij die binnenkort gesloopt zou worden. Het was een complete grafbende met verrotte kozijnen, lekkende plafonds en tochtige muren. We sliepen in de woonkamer omdat de rest van de kamers onbewoonbaar was, maar er zat een dak op en daar deden we het voor. De boerderij (door ons liefdevol omgedoopt tot ‘die grafhut’) bevond zich op een flinke afstand van alle andere huizen, aan een verlaten landweg. Op zich vond ik dat niet beangstigend, totdat ik in de supermarkt stond en een vrouw van middelbare leeftijd me aanklampte.
‘Jij woont in die sloopboerderij buiten het dorp, toch?’ vroeg ze.
Ik knikte, enigszins verbaasd dat ze zo goed op de hoogte was.
‘Ah, dan is het wel goed om jou ook even te waarschuwen,’ zei ze zakelijk. ‘De takkendieven zijn weer actief.’

Bakerpraatjes
Ik twijfelde tussen knikken en bedanken of doorvragen. Takkendieven. Het klonk een beetje knullig, als twaalfjarige jochies die takken uit je tuin jatten. Uiteindelijk won mijn nieuwsgierigheid het van mijn waardigheid en vroeg ik voorzichtig: ‘Wat, eh… Wat zijn takkendieven?’
‘O, dat zijn mensen die je huis in de gaten houden als ze vermoeden dat je vaak op vaste tijden weg bent,’ zei ze. Ik kreeg kippenvel van haar achteloze toon. ‘Ze leggen een tak neer op een plek waar hij niet blijft liggen als het huis vaak gebruikt wordt, bijvoorbeeld voor de deur. Als je naar binnen gaat, schuift de tak opzij en weten zij dat je inmiddels thuis bent of thuis bent geweest. En als de tak nog op dezelfde plek ligt…’
Ze maakte haar zin niet af, maar dat hoefde ook niet. Met een naar gevoel in mijn buik spoedde ik me naar huis, waar ik het verhaal aan Lau vertelde. Die stelde me gniffelend op mijn gemak. Onzinpraatjes. Wat een omslachtige manier. Ik voelde me iets geruster en het verhaal verdween in de loop van de avond naar de achtergrond in mijn hoofd.

Of toch?
’s Nachts droomde ik dat ik voetstappen hoorde. Een schaduw die door het raam viel, geritsel om het donkere huis. Zwetend schrok ik wakker, met een bang bonzend hart. Stel je niet zo aan, zei ik tegen mezelf. Ik concentreerde me op de regelmatige ademhaling van Lau, die niet werd gehinderd door kinderachtige angsten.
De volgende ochtend duwde ik de voordeur open met mijn schouder, terwijl ik in mijn tas zocht naar mijn autosleutels. Door de slechte nacht was ik niet vooruit te branden geweest die ochtend en nu liep ik acht minuten achter op mijn schema. Ik duwde de deur verder open en er viel iets met een doffe pok op de grond. Een lang voorwerp lag naast mijn rechtervoet. In het schemerduister van de winterochtend moest ik mijn ogen tot spleetjes knijpen om te zien wat het was. Toen mijn pupillen zich hadden aangepast aan het donker, werd mijn mond helemaal droog.
Het ding dat naast mijn voet lag was een stevige tak van zo’n dertig centimeter. Ik zag afgebroken stompjes waar eerst zijtakjes hadden gezeten.

Totdat ik naar buiten kwam, had hij op de richel van de slecht sluitende voordeur gebalanceerd.

Beeld: MarianOne