En dat een week lang

Hoe laat is het? Waarom hoor ik de mensen om me heen al praten? Ik lig hier nog maar net. Kunnen ze hun kop niet houden? 

Trrrrrring. Oh kak. Dus toch. Maar mijn benen voelen nog zo zwaar. Mijn hele lijf voelt alsof er vannacht een olifant bovenop me heeft geslapen. Ik werd ook zo vaak wakker. Van de buurman die naar de wc ging. Van de andere buurman die snurkend een heel bos omzaagde. Van de kou. Van de regen op de tent.

‘Goeiemorgen!’ Sommige mensen staan altijd vrolijk op. Ook al is het half zes ’s ochtends. Ik niet. Ik haat opstaan en op die momenten haat ik ook mezelf, en alle mensen om me heen. Snel trek ik mijn wielerkleren aan. Gooi in het washok een plens water in mijn gezicht. Ga in de rij staan om wat boterhammen met pindakaas te eten.

Eet. Laat mijn luchtbed leeglopen. Pak mijn tas weer in. Vouw mijn opgooitent in elkaar. De ploegleiders nemen het allemaal mee naar de volgende camping.

En ik fiets.
Fiets.
Fiets.
Dag na dag na dag.
En na elke etappe wil ik slapen. Het liefst een gat in de dag. Maar om half zes gaat de wekker weer. Voor een nieuwe dag.

Acht dagen lang.
Ik denk dat ik daarna geen tent meer kan zien. En geen snurkende mannen meer kan horen.