Van Chantal naar Eucalypta

Inmiddels wonen we een maand in onze bouwval. Ik ben het zat. Er klaar mee. Nee, er is nog weinig gebeurd in de tussentijd, door allerlei drukte. Welja, we hebben een toilet, waar ik uiteraard dolgelukkig mee ben, maar dat is ook alles.

We leven in een hokje, een gedeelte van het huis, wat we enigszins warm kunnen stoken. Om naar de wc of naar de (koude!) kraan te kunnen, moeten we dus wel door het koude gedeelte van het huis heen, waardoor tandenpoetsen ‘s avonds laat niet echt aantrekkelijk is. De muren – of eigenlijk de zeilen en iets wat lijkt op muren – komen op me af. Ik ben zo vaak mogelijk weg, naar werk, vrienden, buren, koffietenten of zelfs naar Ikea. Maar de bouwval blijft m’n thuis.

Ontploffen om niets
Het had allemaal nog te overzien kunnen zijn, als mijn vriend niet iedere ochtend om half zes door ons hok rommelt. Opstaan om naar je werk te gaan is helaas voor sommige mensen niet haalbaar in vijf minuten. Geritsel, geslof en gezucht aan alle kanten. Laat ik nou net zo’n moeilijke slaper zijn die bij elk geluid wakker schrikt. En dat tien keer in de drie kwartier die hij ervoor nodig heeft. Vat dan nog maar eens de slaap. Aangezien we een totaal ander werk- (en dus ‘opsta-‘) schema hebben, ben ik na een paar korte nachten steeds minder te genieten. Eucalypta is er niets bij, ik ben chago, ongeduldig en ontplof om ‘niets’.

Mijn nek breken
Het gebrek aan zoiets simpels als een douche is na een maand ook behoorlijk irritant. Als een nomade sleep ik van alles mee en val ik anderen lastig. Niet echt, want gelukkig zijn de mensen in onze omgeving heel lief en hebben vooral ook begrip voor deze bijzondere omstandigheden. Ik mag dus bij veel mensen even douchen. Dat het een zooitje naast mijn bed is (de enige plek waar ik toiletspullen, tasjes, föhn, schoenen en wat dan ook kan neerleggen) moge duidelijk zijn. Het is dus geen eenmalig incident als ik ‘s ochtends bijna mijn nek breek als ik over alle rotzooi struikel en op het harde, koude beton terecht kom.

Deodorant spuiten in de ijskou
Dan laat mijn vriend zo heel mooi een teiltje met vuile borden, bekers, glazen en bestek staan op ons tijdelijk soort van aanrecht, naast de kraan met koud water. Ik snap dat hij geen tijd heeft om dat af te wassen. Als hij tijd had om af te wassen, had hij ook vast tijd om de ketel aan de praat te krijgen. Of een douche te installeren. Maar als ik ‘s morgens wakker word in de klerezooi, me klaarmaak om in de ijskou deodorant te spuiten en tanden te poetsen, moet haasten om een trein naar een warmer oord te halen, is de zin en tijd ver te zoeken.

Opgewekt wakker worden
Als ik het dan echt bijna niet meer trek – minimaal eens per week -, vluchten we. Naar een restaurantje, bioscoop, iets, als het maar even pauze van de bouwval betekent. Dat is nodig. Om te ‘overleven’, ofzo. En dan zijn er van die momenten dat ik thuiskom, de afwas al gedaan is en ik een lief briefje op het bed vind. Of dat hij het kacheltje extra warm zet als hij ’s ochtends naar zijn werk gaat. Of dat hij me ophaalt waar ik ook maar naar ontsnapt ben. Dan is Eucalypta compleet verdwenen, haal ik zijn favoriete eten en knuffel ik hem een uur als hij thuiskomt.

Expeditie Barendrecht. To be continued.

© Beeld: Chantal Straver