Vechten voor mijn leven

De deurbel gaat. Ik doe open, maar er staat niemand. “Hallo?” Een man komt omhoog gelopen, eerst aarzelend, dan steeds vastberadener. Nog voor hij boven is, doe ik de deur dicht. Iets aan zijn bleke gezicht en indringende blik klopt niet. Hij vraagt of ik open wil doen, maar ik kan me niet meer bewegen.

Glaasje wijn?
Plotseling bevind ik me in het huis waar ik woonde toen ik vijftien jaar oud was. Ik sta oog in oog met de vreemdeling, zo midden in de huiskamer. Hij wil iets van me, iets ondenkbaars. Ik weet wat het is. De sfeer is dreigend en grimmig. Mede door de revolver in zijn hand. Hij vertelt me dat hij naar het toilet moet. Ik knik, zet een glimlach op en wijs hem de weg. Hij vertrouwt me niet. “Ga maar. Dan haal ik vast een fles wijn uit de koelkast.” Hij kijkt me bedenkelijk aan, zet een stap naar achter, maar grist dan ineens mijn mobiel uit mijn hand. Hij doet er iets mee, geeft hem aan me terug en verdwijnt dan naar het toilet.

Twee schurken
Stilte. Mijn hart bonst in mijn keel. Voor een seconde sta ik aan de grond genageld. Dan ren ik naar de schuifpui, open het en weg ben ik. Ik had er niet bij stilgestaan dat ik eerst nog een hele tuin door moet voordat ik bij de straat ben. Als ik eenmaal bij de straat ben voelen mijn benen lam. Ik kan amper vooruit. Ik hoor geluiden achter me en moet door. Ik ren zo goed als ik kan naar de overbuurvrouw, schuin tegenover. Nog voor ik binnen ben, werp ik een blik over mijn schouder. Ze zijn met z’n tweeën.

Traceren via mobiel
Binnen zie ik mijn overbuurvrouw op de bank zitten. Ik vraag haar zich te verstoppen. Ik ren de trap op en ga bovenin een kast zitten. Ze zijn binnen. Die bleke, mollige, grote vent en een wat mager, lang figuur met donker haar. Ik probeer te whatsappen, maar ik heb geen verbinding. Ik wil bellen, maar het icoon om te bellen is verdwenen. Wat heeft hij met m’n mobiel gedaan? De gedachte overvalt me dat ze me zouden kunnen traceren via mijn mobiel.

Het angstzweet breekt me uit.

A way out
Na een hele tijd puzzelen en kabaal beneden, lukt het dan toch mijn vriend te sms’en. Geen idee of het aangekomen is. Ik krijg geen bevestiging. Ik hoor ze ineens boven. Ze zijn in de buurt. Komen steeds dichterbij. Ik kijk gebiologeerd naar het raampje recht tegenover me en besluit het te doen. Ik schop het ruitje eruit, wurm me erdoorheen en wankel over de dakpannen. De engerds schreeuwen naar me, passen er zelf niet doorheen. Zo snel als ik kan klim ik naar beneden, ren weer over straat, maar ze halen me in.

Doodgeluld
Een zwarte auto rijdt langzaam voorbij. Ik herken de auto. Het raampje gaat open en mijn vriend begint een gesprek met de twee mannen. Een onderhandeling. De bleke houdt een revolver op hem gericht, maar mijn vriend heeft ook een pistool in zijn hand. Ik hoor niets, maar het gesprek duurt lang, zo lang dat de bleke even kijkt of er iets aan komt. Op dat moment schiet mijn vriend hem neer. En de ander ook. Zomaar. Niet met één schot. Ik zie het van steeds grotere afstand. Hij schiet z’n hele pistool leeg.

Eind goed al goed?
Zwetend schrik ik wakker. Mijn vriend aait me, vraagt wat er is. Ik vertel de droom in het kort. Hij lacht, zegt ‘eind goed al goed’ en valt weer in slaap. Met mijn gare karate-tas loop ik een uur later op hét winkelcentrum van Rotterdam Zuid, Zuidplein. Ik weet dat ik mijn tas echt een keer moet vervangen, hij kan niet eens meer normaal dicht. Met mijn slaperige hoofd nog half in mijn droom, bestel ik een cappuccino to go. Ik reken af en hurk om mijn portemonnee in mijn tas te stoppen. Op het moment dat ik mijn portemonnee diep onder mijn karatepak gestopt heb, beweegt een arm langs mijn lichaam. De arm is bekleed met een zwart gewatteerde mouw, de hand grijpt mijn tas, trekt hem weg.

Vechten voor mijn leven
Ik houd mijn tas stevig vast, kom in een ruk omhoog en draai me om. Gillend. Keihard gillend. Alsof ik in brand sta-gillend. Het duurt bij elkaar niet langer dan een seconde. Ik sta klaar om te vechten voor mijn leven. Heel Zuidplein kijkt naar me. Inclusief degene met wie ik nu oog in oog sta. Een lieve, prettig gestoorde kennis van karate. Hij schrikt blijkbaar net zo hard van mij. Dat valt aan zijn gezicht af te lezen. Het was een grapje van hem. Ik val hem in de armen. “Oh mijn god, weet je wel wat je met me doet?”

© Beeld: Chantal Straver