Stappen voor de trein

We wandelen onder felgekleurde bladeren door. Alles wat vanwege de herfst al gevallen is, ligt als een nat papje op de stoep. We lopen zonder jassen, want het is mooi weer. Ik ben er van in de war. Het voelt alsof het lente is en toch maken we een herfstwandeling.

Spoorwegovergang
Mijn dochter pakt mijn hand vast. Er loopt een treinspoor door ons dorp. We zijn bij de spoorwegovergang en ze is altijd bang wanneer we daar oversteken. Dit keer gaan de bellen niet rinkelen. De slagbomen komen niet omlaag. Veilig aan de overkant laat ze me abrupt los. Ik kijk en zie dat ze haar hand plots tussen haar benen heeft.

‘Moet je plassen?’
‘Ja, heel erg.’

Echtpaar
Een echtpaar dat bij een auto staat hoort ons praten. De vrouw biedt spontaan haar toilet aan en mijn meisje maakt daar dankbaar gebruik van. Ze holt achter de mevrouw aan, zo het vreemde huis binnen. Ik blijf buiten bij mijn zoon.

‘Het kan zo ineens op komen zetten,’ zegt de man die nog bij zijn auto staat. Een vijftiger, schat ik, met grijs haar en vriendelijke ogen.
‘Ze is bang van de spoorwegovergang. Ik denk dat het op haar blaas is geslagen.’
‘Dat is maar beter ook. Die angst voor treinen mag wel blijven.’

Zevenendertig
Als ik een trein op volle snelheid zie aankomen stap ik het liefst naar achteren. De man hint naar de mensen die juist een stap naar voren deden. Hij zegt dat hij er zo’n zevenendertig heeft meegemaakt sinds de dag dat hij daar woont.

‘Soms ligt het tot daar,’ zegt hij en hij wijst naar een plek waarop hij goed uitzicht heeft vanuit zijn huis. Hij hoeft maar uit het raam te kijken om iets gruwelijks te zien. Van het idee alleen al lopen bij mij de rillingen over mijn rug.

Brandweer
‘Maar het doet me niet veel meer. Ik heb al genoeg gezien.’
De man vertelt dat hij voor de brandweer van Amsterdam werkte. ‘Maar we hoeven het niet meer op te ruimen tegenwoordig. De uitvaartverzorger komt daar nu voor.’

Mijn dochter komt naar buiten hollen. ‘Het is gelukt,’ roept ze.
We bedanken het vriendelijke echtpaar en lopen weer door.

Lawaai
‘Het was een leuk huisje,’ zegt mijn dochter als we iets verder zijn. ‘Maar ik zou er niet willen wonen hoor, zo dicht bij het spoor.’

‘Ik ook niet,’ zeg ik.

Ik heb altijd gedacht dat ik niet bij het spoor zou kunnen wonen vanwege de herrie van treinen. Maar ik denk nu dat ik meer moeite zou hebben wanneer het ineens stil blijft op het spoor.

CC foto: Craig Sunter