Ziek

geen

Frank is een grote man met een nog groter hart. Ik ben dol op hem. Maar helaas is hij ziek.

Frank wie?
Frank is geen vriend, geen oom, geen buurman of vader. Maar wat is hij dan wel? Ik zal het proberen uit te leggen. Tijdens mijn jeugd woonden Frank en Wil in het hoekhuis naast ons. Mijn broer, zus en ik waren kind aan huis bij Frank en Wil. Ze gaven ons hun onverdeelde aandacht en heel veel Yogho! Yogho! (dat kregen we thuis niet).

Lachen
Ik kan wel stellen dat mijn puberteit leuker was dankzij Frank en Wil. Ik glipte graag ‘s avonds het huis uit om samen met Frank op de doorgezakte grijsleren bank in de serre het nieuws te kijken. Ondertussen draaide ik voor ons allebei non-stop shagjes. Bij Frank en Wil mocht ik roken als een schoorsteen, iets wat ik in die tijd graag deed. Frank kon bulderen van het lachen terwijl Wil schaterlachend een soort knorgeluid maakte waarvan ze nóg harder moest lachen.

Buurkind
Frank hield van lezen en ik ook. We konden dus ook stil naast elkaar zitten met allebei een boek op schoot, tot Wil uit haar werk kwam. Hij met een borrel, ik met zo’n eeuwig glas Yogho! Yogho!. Toen ik niks begreep van wiskunde B, gaf Frank mij ‘s avonds geduldig bijles aan de keukentafel. Achteraf denk ik wel eens: steeds zo’n buurkind dat aanbelt, hadden ze daar eigenlijk wel zin in? Blijkbaar wel, want ik had nooit het gevoel dat ik teveel was of te vaak langskwam.

Tweede ouders
Frank en Wil horen bij mijn leven. We vierden samen Kerst, ze kwamen naar muziekavonden op school en de deur stond altijd open. Als het mogelijk is om ‘tweede ouders’ te hebben, dan heb ik die. Eenmaal op kamers bleef het contact bestaan. Bij mijn buluitreiking en mijn bruiloft zaten Frank en Wil glimmend van trots naast mijn ouders (ja die heb ik ook en ja, die zijn ook heel leuk, ik ben een bofkont). Toen de verbouwing van het huis van P. en mij in de soep dreigde te lopen, kwamen Frank en Wil ons wekenlang helpen. Met een vanzelfsprekendheid die helemaal niet vanzelfsprekend was.

Ik ook van jou
Een paar weken geleden werd Frank in het ziekenhuis opgenomen. Hij was duizelig, zag dubbel en was aan één stuk door aan het praten, deels onverstaanbaar. Hij bleek heel erg ziek. Ik ging bij hem langs en bedacht me hoeveel uren van mijn leven ik had gedeeld met deze grote, sterke, lieve man. Frank hield de moed er in: “Als er een hemel is, hoop ik dat ze daar een goede bibliotheek hebben. Dan kan ik de hele dag lekker lezen met een borrel en een sigaretje erbij.” Ik schoot steeds vol, maar omdat Frank niet bij de pakken neerzat, liet ik dat niet merken. Zijn plotselinge: “Niek, je weet dat ik heel veel van je houd he?” klonk als een afscheid. Ik ook van jou Frank, ik houd ook heel veel van jou.

Foto: © Nike Martens