Zomersprookje

Er was eens een prinsesje. Snipwitje.
Ze had een paar dwergachtige wezens onder haar hoede. Kinderen, schijnt men die ook wel te noemen. Ze hadden allemaal wel zin in zomervakantie, maar school ging door tot het bittere einde.
Niet met een rustige sisser. Nee, een knallende apotheose moest het worden. Met minimaal drie feestjes en schoolreisjes per dag.

Zo mochten twee van de drie dwergachtige wezens doen alsof ze jarig waren, waardoor Snipwitje tot diep in de nacht stond te zweten boven haar kookfornuis. Tegen het ochtendgloren zat ze te knutselen voor afscheidscadeaus en herinneringsmappen. Inmiddels was ze zo snipverkouden dat het snot in straaltjes uit haar neus liep.

Als klap op de vuurpijl verstopte ze zich in het bos voor een vossenjacht, verkleed als sneeuwwitje. Ze had haar vegertje meegenomen om een vlijtige indruk te maken, maar zag al snel dat het onbegonnen werk was met al die bladeren.
De schoolklas die haar zoeken moest, was in geen velden of wegen te bekennen. Soms passeerde een man met hond, die haar bevreemd aankeek.

Snipwitje moest ontzettend nodig plassen. Ze hurkte achter een boom en hoopte vurig dat de schoolklas nog even weg zou blijven. Evenals de man met hond.
In de verte hoorde ze kinderstemmetjes.
Net op tijd stond ze klaar met haar vegertje. Ze vertelde over haar leven en toonde de appel waar ze zo blij mee was.
Ze nam een hap, kauwde even, en stortte dood ter aarde.

De kinderen huilden van schrik.
Was dat goed? Daar was ze niet helemaal zeker van.
Toen ze weer bijkwam, vroeg ze een prinsje ten huwelijk.
Hij bedankte voor de eer. Zelfs Zoon durfde niet.

Toch leefde ze nog lang en gelukkig, want het was eindelijk vakantie!

Foto: privébezit MMMerel