Annemarie heeft smetvrees: ‘Ik waste mijn handen tot bloedens toe’

smetvrees

Smetvrees beheerste jarenlang het leven van Annemarie (36). ‘Er ging vier liter handzeep per week doorheen en ik durfde nauwelijks meer naar buiten uit angst voor besmetting.’

Tekst Loeka Oostra | Beeld iStock

“Met een dwangstoornis op een kinderdagverblijf werken is zo mogelijk de slechtste 
combinatie die je je kunt bedenken. Naast de angst voor alle ‘viezigheid’, voelde ik ook een extreme verantwoordelijkheid. Wat als de kinderen iets zou gebeuren? Ik zorgde ervoor dat alles piekfijn in orde was: deed de afwas soms twee keer, omdat ik bang was dat ik niet met afwasmiddel had afgewassen maar met iets anders. Toen een moeder iets zei over de 
gevaren van een koortslip voelde ik me dagenlang slecht bij elk plekje dat ik rond mijn mond zag verschijnen. Ik waste mijn handen steeds vaker, om alles schoner dan schoon te krijgen. Naast de smetvrees, waarvan ik lange tijd geen idee had dat dat was waar ik aan leed, had ik ook de dwang om alles te controleren. Rond mijn twintigste kwam dit allemaal tot uiting. Ik controleerde meer-dere keren of deuren wel op slot zaten en of het gas uit stond. Bij het kinderdagverblijf kon ik niet langer blijven. Door de angsten werd het onmogelijk om mijn werk te doen. En hoe meer ik toegaf aan mijn angst, hoe sterker deze werd.”

Heel even 
controle

“Ik was altijd al onzeker en angstig, en door pesterijen vroeger op school was er 
weinig over van mijn zelfvertrouwen. Het ontstaan van mijn smetvrees is een combinatie geweest van karakter, omgeving en erfelijkheid: in mijn familie is een aanleg 
aanwezig voor psychische 
problemen. Door mijn handen tientallen malen per dag te wassen, kreeg ik een gevoel van opluchting. Voor heel even leek het alsof ik alles onder controle had, al duurde dat 
helaas nooit lang. Dat bevre-digende gevoel maakte wel 
dat ik het elke keer weer opnieuw deed. Het gevoel dat 
alles zo schoon was dat er even niets mis kon gaan, was me meer waard dan m’n handen, die ik tot bloedens toe waste. Langzaam ging het van kwaad tot erger. Zwembaden bezocht ik niet meer, en openbare 
toiletten ook niet. Een bezoek aan de tand- of huisarts of op een bankje in het park zitten werd steeds moeilijker. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om mijn katten het huis uit te doen, maar kon ze wel wat aandoen als ze een troep van het huis maakten. Als 
ik nadacht over hoeveel mensen spullen aanraakten en de 
enorme hoeveelheid bacteriën die ze achterlieten, werd ik ontzettend angstig. Mijn ogen scanden elk oppervlak, en 
bij het kleinste vlekje werd ik 
onrustig. Het zorgde ervoor 
dat ik langzaam steeds verder vervreemd raakte van het 
normale leven.”

Bang voor bloed

“Het ergste was mijn angst voor bloed. Hoe dit precies ontstaan is, weet ik niet 
precies. Ik herinner me nog wel een verhaallijn in ‘Goede tijden slechte tijden’ waarbij een personage besmet raakte met hiv door het bloed van 
iemand anders. Daardoor werd het mijn grootste angst om iemand anders ziek te 
maken of zelf ziek te worden. Die angst nam me volledig 
in beslag: zo erg dat ik niet 
bij ziekenhuizen naar binnen durfde om daar bij iemand 
op bezoek te gaan. Ook ongesteld zijn was elke maand een kwelling. Ik waste mijn handen nog vaker, en was als de dood om door te lekken. Als dat een keer gebeurde, was ik in alle staten. Uiteindelijk besloot ik aan de prikpil te gaan, om niet meer ongesteld te hoeven worden. De angst om zelf met hiv 
besmet te worden, hield me 
zo in de greep dat ik mezelf lange tijd heb wijsgemaakt 
dat ik de ziekte zelf ook had. Dat was praktisch gezien onmogelijk: sex had ik niet, en omdat ik zo hygiënisch leefde, zorgde ik ervoor dat ik nooit met het bloed van iemand 
anders in aanraking kwam. Mijn huisarts zag hoe ik hieronder leed en heeft me op 
een gegeven moment een test laten doen voor mijn eigen 
gemoedsrust. Toen ik de uitslag hoorde, die uiteraard 
negatief was, dacht ik na over de incubatietijd. En weer was ik ervan overtuigd dat ik aids had. En dat het gewoon een paar maanden zou duren voordat dat aangetoond kon worden. Mijn familie en vrienden 
zagen met lede ogen aan hoe ik veranderde. Dat er iets niet klopte, was duidelijk. Maar niemand kon er precies de vinger op leggen wat er met me aan de hand was. Vooral mijn ouders waren erg ongerust. Ik veranderde van een enthousiast meisje in iemand die smoesjes bedacht om 
ergens niet bij te hoeven zijn. Ze zagen dat ik met de dag 
ongelukkiger werd, maar 
konden enkel toekijken.
Toen ik op een avond mijn moeder in bed hoorde huilen, knapte er iets. Ik wist net zomin als zij wat er aan de hand was, maar wel dat ik eerlijk moest zijn over wat er door mijn hoofd ging. We besloten samen dat ik naar de huis-
arts moest. En toen werd de diagnose gesteld: ik had een dwangstoornis, die zich met name uitte in smetvrees. Eindelijk wist ik wat er met me aan de hand was. Naar vrienden en familie ben ik 
altijd open geweest over mijn stoornis. Ik vind het erg ver-velend dat er nog zo’n taboe rust op psychische problemen. Natuurlijk ben ik ook weleens tegen onbegrip aangelopen, maar de meeste mensen in mijn omgeving reageerden heel lief en begripvol. Gelukkig kon ik bij hen mezelf zijn.”

Het hele verhaal van Annemarie lees je in VIVA 46. Je kunt verder lezen via BlendleAbonnee worden of een losse editie van VIVA bestellen? Klik hieronder:

»Bestel VIVA online | Klik hier «