Dubbelspel

‘Ik heb twee mama’s,’ zegt Dochter.
‘Hoezo?’ vraag ik verbolgen. ‘Wie is hier de bovenstebeste, uitzonderlijk speciale, niet te evenaren, enig in haar soort, volledig aan jou toegewijde moeder?’
‘Daar is er nog één.’ Ze wijst in de leegte naast me en lacht allerliefst.
Zit ze me nou te jennen?

Scheel hondje
Een week later speelt ze dat ze een hondje is. Een bontmuts met oortjes en Broertje heeft haar aan de lijn. Ze keft schel en kijkt tenenkrommend scheel.
Dat is knap, denk ik nog. Zo jong en al zo overtuigend de glansrol van scheel hondje vertolken.
Maar haar mooie, donkere kijkers blijven hangen in hun rol. Een ochtend, een dag, een week. Waar ze je eerst doordringend aankeek -recht in de ziel- vermoed ik dat ze nu alleen haar eigen neus ziet. Of twee neuzen.

Advies
Afplakken. Opereren. Een brilletje. Oefeningen doen. Nooit afplakken, hoor. Fysiotherapie voor de ogen. Eurithmie. De meest uiteenlopende adviezen komen onze kant op.
De oogarts haalt minzaam zijn neus op. ‘Therapie, oefeningen? Nooit van gehoord. Alternatief geneuzel, wat je klauwen vol geld kost.’
Ik vraag mij voor de zoveelste keer vertwijfeld af, waarom die twee werelden zo ver uit elkaar liggen. Ik ben geen doorgewinterde alternatieveling, die de medische wereld vol overtuiging de rug toekeert. Ik zal haar niet wekelijks therapeutisch laten heilkleien, als een operatie de enige oplossing is, maar misschien helpen oefeningen wel? Hoe weet ik dat nou, als leek? Ik eet graag van twee walletjes, maar waarom is er geen enkele samenwerking tussen die twee walletjes?

Cadeautje
Dochter is sowieso niet van plan om haar medewerking te verlenen. Nadat de oogarts zo gemeen was om druppels in haar ogen te doen, heeft hij volledig afgedaan.
Ik ben twee en doe niet mee. Een sticker op het oog, om te proberen, doet haar brullend in mijn armen duiken. Daarna mag ze de mooiste uitkiezen, maar ze wil er niets van weten.
Om de martelgang wat op te fleuren, beloof ik haar een cadeautje na afloop. In de winkel is ze verbaasd dat ze iets uit mag zoeken.
‘Ik heb toch al een cadeau?’
‘Wat dan?’ vraag ik. Ze wijst op de doos met oogstickers, waar we haar dagelijks mee lastig gaan vallen (tenzij we nog overtuigd raken van een andere methode).
‘Ik heb stickers gekregen.’
Ach… Een kinderhand is snel gevuld. En dan heeft zij ook nog het voordeel dat ze alles dubbel denkt te hebben.