Gevlucht uit Kosovo: ‘Militairen sleurden me aan mijn haren het bed uit’

gevlucht uit kosovo

Shpresa Ramakers van Praag-Morina (36) werd door haar ouders achtergelaten in Kosovo en moest vluchten voor haar leven. Totdat ze werd gered door Twan Huys.

Tekst: Yvette Bax

“Toen ik klein was, gingen we elk jaar met ons gezin op vakantie naar Kosovo. Mijn ouders zijn daar geboren en hadden er nog een huis waar we dan verbleven. Heerlijk vond ik dat. We zochten familie op, ik speelde met mijn nichtjes en we aten en dronken onze buiken vol. Maar ik was ook altijd blij als we teruggingen naar Nederland, want dat was míjn geboorteland en thuis. Toen mijn vader met pensioen ging, wilde hij terug naar Kosovo. Hij was tenslotte alleen maar als gastarbeider naar Nederland gekomen en wilde hier niet oud worden, zei hij. Maar mijn moeder dacht daar anders over, die was er nog niet klaar voor haar bestaan in Nederland op te geven. Dus ging mijn vader alleen terug, en zochten mijn ouders elkaar om de paar maanden op. Vanaf dat moment ging alles bergafwaarts: mijn moeder was erg druk met haar werk en het viel haar zwaar om in haar eentje voor vijf kinderen te zorgen. Ze verwaarloosde ons, en mij vooral. Waarom weet ik nog steeds niet, maar ik heb nooit een goede band met mijn moeder gehad. Ik ben de jongste, ik heb drie zussen en een broer. Dat ze graag een zoon had gewild en teleurgesteld was toen ik een meisje bleek, wist ik. Ook was het een zware bevalling, waarna ze volgens mij een postnatale depressie heeft gehad. Misschien is dat de reden waarom ze zich nooit zo verbonden met mij heeft gevoeld.”

Uit huis geplaatst

“Uiteindelijk verslechterde de situatie thuis dermate dat ik op m’n twaalfde door Jeugdzorg uit huis werd geplaatst. Drie jaar lang woonde ik in een kindertehuis, al vond ik dat totaal niet erg. Ik kon het met iedereen goed vinden en heb daar een heel fijne tijd gehad. Het laatste jaar ging ik elk weekend terug naar huis. Het leek beter te gaan tussen mij en mijn moeder en dus werd ik terug in huis geplaatst. Dat was net voor de zomervakantie en mijn moeder kondigde meteen aan dat we op vakantie naar Kosovo zouden gaan. In eerste instantie wilde ik dat graag, maar daarna begon ik te twijfelen. Ik had er geen goed gevoel over. Ze had namelijk tegen me gezegd dat ik ons gezin, en vooral haar, te schande had gemaakt doordat ik in een tehuis was gaan wonen. Dat was de beslissing van Jeugdzorg, toch nam ze het mij kwalijk. Dat liet ze steeds meer blijken. Ze zei ook dat door mijn schuld omgeving en familie nu dachten dat ze geen goede moeder was. En dat ik eigenlijk in Kosovo opgevoed moest worden, omdat kinderen daar veel strenger en met harde hand worden grootgebracht, zonder inmenging van buitenstaanders. Vlak voordat we op vakantie gingen, ben ik in paniek naar mijn maatschappelijk werkster gestapt. Ik vertelde haar dat ik niet mee wilde naar Kosovo, omdat ik bang was dat mijn moeder me daar zou achterlaten. Die zei: ‘Je hebt te veel fantasie Shpresa, je praat jezelf dingen aan. Zoiets doet je moeder echt niet.’ Toen ben ik toch maar gegaan.”

Wat had ik verkeerd gedaan?

“Eenmaal in mijn vaders huis keek mijn moeder me met een ijskoude blik aan. ‘Je blijft hier wonen. Je gaat nooit meer terug naar Nederland,’ zei ze. Ik was compleet in shock. Ik was minderjarig en stond in mijn moeders paspoort, dus zonder haar zou ik nergens naartoe kunnen reizen, dat wist ik. De moed zakte me in de schoenen en ik kon geen woord meer uitbrengen. Ik dacht: als mijn ouders hiertoe in staat zijn, waar zijn ze dan nog meer toe in staat? Het had geen zin om naar de politie te gaan, want die is daar zo om te kopen. We hadden geen telefoon en internet bestond nog niet. Ik zat dus vast. Gelukkig was mijn vader wel lief voor me, die probeerde het me nog enigszins naar de zin te maken. Waarschijnlijk ook uit schuldgevoel. Een keer heb ik vanuit het postkantoor met mijn opgespaarde zakgeld naar mijn beste vriendin in Nederland gebeld. Ik zei tegen haar: ‘Je moet Jeugdzorg bellen en zeggen dat ik hier tegen mijn zin word vastgehouden.’ Dat zou ze doen. Het duurde een halfjaar voordat ik weer in de gelegenheid was haar te bellen, en toen vertelde ze me dat Jeugdzorg haar niet geloofde. Dat er iemand langs was gestuurd bij mijn moeder, die tegen die persoon had gezegd dat ik zelf in Kosovo wilde blijven. En daarmee was de kous af, ze geloofden haar blijkbaar wel klakkeloos. Vier jaar later brak de oorlog uit, waardoor mijn wereld weer op z’n kop stond. Er werd een avondklok ingevoerd, alle wegen werden afgesloten, er stond een tank op elke straathoek en overal wa-ren militairen. De eerste paar maanden waren nog redelijk rustig, maar daarna waren wij, de etnische Albanezen op wie de Serviërs het gemunt hadden, niet meer veilig. Op een avond werd er iemand neergeschoten voor onze deur. Toen werd mijn vader zo bang dat hij naar Nederland vluchtte. Hij wilde mij meenemen, maar dat ging niet, ik had tenslotte geen documenten. Dus liet hij me achter. Alleen. Ik kon het niet geloven en niet begrijpen. Eigenlijk nog steeds niet. Keer op keer vroeg ik me af wat ik verkeerd had gedaan, waarom mijn ouders me zo erg haatten dat ze me dit aandeden. Maar op die vraag heb ik nooit antwoord gekregen.”

‘Doe haar niets!’

“De anderhalf jaar die daarop volgde, was hels. Ik logeerde bij een oom en tante, maar het was nergens veilig. Het dorp werd gebombardeerd, we vluchtten regelmatig de bossen in om daar te slapen en het huis werd leeggeroofd. Ik wist anderhalf jaar lang ’s avonds niet of ik de volgende ochtend nog wel wakker zou worden. Ook dacht ik in die tijd vaak aan zelfmoord, want ik had niets meer om voor te leven. Ik wilde er een eind aan maken, maar wist niet hoe en durfde het ook niet. Op een avond was er een inval van een groep militairen in ons huis. Ze sleurden me aan mijn haren uit bed en smeten me op straat. Vervolgens sloegen ze me met de kolven van hun geweren, riepen dat ik een vieze Albanees was en dat ik zou boeten. Even dacht ik dat mijn laatste uur geslagen had, totdat een Servische buurvrouw naar buiten kwam rennen. Ze riep: ‘Doe haar niets aan, ze is nog zo jong. Ze heeft sieraden en goud. Als jullie haar laten gaan, zal ze jullie dat geven!’ Ik heb ze alles ge-geven wat ik had. Mijn oom sloegen ze aan gort en ze lieten hem voor dood achter. Daarna staken ze ons huis in brand. Die nacht zijn we met alle Albanezen uit het dorp gevlucht, zo’n dertig man. We werden begeleid door een andere groep militairen, die ons de weg wezen naar buurland Albanië. Twee volle dagen lang hebben we gelopen, langs uitgebrande dorpen en ontelbaar veel lijken langs de weg.Onderweg sloten steeds meer mensen zich bij ons aan. Toen ik na de eerste dag mijn gympen uitdeed, waren mijn voeten zo opgezwollen dat ik mijn schoenen niet meer aankreeg. Dus ben ik maar op blote voeten verder gelopen. Ik heb één keer van iemand een stuk brood gekregen, verder heb ik die twee dagen niets gegeten of gedronken. Maar ik voelde geen honger of dorst, noch angst. Ik voelde niets meer. Ik denk dat ik overschakelde op de automatische piloot. Niets deed er meer toe, behalve overleven. Als ik daar nu nog aan terugdenk, weet ik werkelijk niet hoe ik dat allemaal heb doorstaan. Het lijkt net een droom, een nacht- merrie. Maar ik ben er nog goed van afgekomen, want ik heb het overleefd. Een groot deel van mijn familie niet.”

Redder in nood

“In Albanië werden we opgevangen in een school, waar we met z’n allen hebben geslapen. Daarna meldden we ons bij een vluchtelingenorganisatie. Daar ontmoette ik Twan Huys, die een reportage aan het maken was over de vluchtelingen. Hij was stomverbaasd dat er een Nederlands sprekend meisje tussen zat. Twan interviewde me en toen de camera uitging, heb ik mijn hele verhaal aan hem verteld. Hij was compleet verbijsterd en schakelde meteen iemand van de vluchtelingenorganisatie in om me te helpen. Uiteindelijk heeft hij er samen met een directielid van de organisatie voor gezorgd dat ik weer terug kon naar Nederland. Ze hebben alles voor me geregeld en betaald, nota bene uit eigen zak. Ik zal ze daar eeuwig dankbaar voor zijn. Ik kon niet geloven dat vreemden zoiets voor me deden, überhaupt kon ik niet geloven dat er nog goedheid in de wereld bestond. Vierenhalf jaar nadat ik ‘op vakantie’ was gegaan, zette ik weer voet op Nederlandse bodem. Ongelooflijk blij was ik, eindelijk was ik weer thuis. Ik heb mijn beste vriendin gebeld, die me van het vliegveld kwam halen. We vielen elkaar huilend in de armen. Mijn familie liet ik in eerste instantie niets weten, maar na een paar weken heb ik toch contact gezocht met mijn vader en zussen. Mijn vader vroeg me met-een om vergiffenis,mijn moeder heb ik vijf jaar lang niet gesproken. Zij heeft nooit om vergiffenis gevraagd. Pas sinds het overlijden van mijn vader vier jaar geleden laat ik haar weer mondjesmaat toe in mijn leven. Ik zal nooit vergeten of vergeven wat ze me heeft aangedaan, maar ik heb het losgelaten. De eerste paar jaar na mijn terugkeer had ik veel nachtmerries en angsten, maar inmiddels heb ik alles redelijk een plekje kunnen geven. Ik ben nu geluk kig: ik heb een leuke baan, ben getrouwd en heb een zoontje van twee van wie ik elke dag weer blij word. Ik krijg heel veel liefde van mijn man en schoonfamilie; mijn schoonmoeder is zo’n warme vrouw, zij is de moeder die ik nooit heb gehad. Ik ben er erg dankbaar voor dat ik zulke fijne mensen in mijn leven heb gekregen. Die maken alle pijn van het verleden weer goed.”