Het jaar voordat ik doodga deel #1: ‘Dit gevoel verandert niet, 
wat ik ook doe en welke hulp ik ook zoek’

zelfdoding

In een vijfdelige serie beschrijft journalist Lydia van der Weide het verhaal van Inge. Zij worstelt met een onmogelijke tweestrijd: leven of dood? Vandaag deel een.

Als kind dacht Inge (43) al elke avond: als ik niet meer wakker word, dan is dat ook goed. Vorig jaar besloot ze een einde aan haar 
leven te maken. Dat mislukte. Daarom gaf ze zichzelf nog één jaar. 
Om nog één keer te kijken of alles beter zou kunnen worden.

“Nog even, dan is het tijd voor mijn laatste reis. Morgenvroeg vertrekt mijn vliegtuig: twee weken Tanzania. Ik ben mijn rugzak aan het pakken. Kniebroeken, shirtjes, shampoo, anti-muggenspray. Mijn poezen liggen soezend op bed. Hun ogen volgen me als ik naar mijn kast loop en me naar mijn bergschoenen buig. Vorig jaar, toen ik mijn huis opruimde, kon er steeds iets meer weg. Boeken, cd’s, kleding: alles ging naar de kringloop. Stap voor stap doekte ik mijn leven op. Alleen van mijn bergschoenen kon ik geen afstand doen. Ik maakte er mooie, verre natuurreizen mee. Ze staan voor vrijheid, voor loskomen van alles wat me normaal zo in de weg staat. Ook al wist ik dat 
niemand meer iets met die schoenen zou kunnen, weggooien lukte me niet. Nu ben ik daar blij om. Het zou zonde zijn om een nieuw paar te kopen.

Zo, mijn rugzak is klaar. Nu mijn handbagage. Vier boeken, paspoort, geld, pasjes. Wat doe ik met mijn camera? Fotograferen, ik heb er altijd van genoten. Beelden van dieren vangen, overweldigende vergezichten vastleggen. Mensen? Dat niet. Met mensen heb ik moeite; het fijnste van reizen is juist dat ik mensen kan vergeten. Heeft het dit keer wel zin om mijn camera mee te nemen? Ik zal er niet lang meer zijn om nog naar mijn foto’s te kijken. Dit besef is de laatste tijd, onbewust, terloops haast, doorgesijpeld. Toen mijn zorgvuldig voorbereide zelf-
doding vorig jaar mislukte, besloot ik er een jaar voor uit te trekken om te kijken of er toch geen andere oplossing was. 
Nog één keer terug naar de basis. Nog één keer proberen, 
vooruit dan maar.”

Verboden te benoemen

“Dat jaar is nog niet om. Maar toen ik onlangs een prachtig zilveren sieraad zag en overwoog het te kopen, dacht ik: waarom zou ik? En toen ik mijn inentingen voor deze reis haalde en de arts me opgewekt vertelde dat ik nu weer vijfentwintig jaar vooruit kon, moest ik bijna lachen. Ik wil me houden aan mijn voornemen van een jaar de tijd nemen. Maar in mijn hart weet ik dat het besluit al genomen is. Dat voel ik ook vandaag weer. De echte opwinding voor mijn verre reis, zoals ik die van vroeger ken, is er niet. Alsof reizen iets is uit mijn vorige bestaan. Ik staar vertwijfeld naar mijn camera, maar stop ’m toch in mijn tas. Al is het maar om thuis nog één keer te kunnen bekijken hoe ik bepaalde beelden heb weten te vangen.

Daarna is alles klaar. Ondanks het onwerkelijke, vervreemde gevoel heb ik zin in Tanzania. Maar toch: als ik zo naar bed ga en inslaap om niet meer wakker te worden, dan is het óók goed. Ik snap het als je me niet begrijpt. Dat geeft niet: ik snap jouw wens om te leven, jouw nieuwsgierigheid naar wat elke nieuwe dag zal brengen ook niet. Ik vraag niet om begrip. Om goed-keuring evenmin. Ik vraag enkel een luisterend oor. Dat zou
al zo veel voor me betekenen. Want mijn verlangen om er niet meer te zijn, heb ik nooit mogen benoemen. In Nederland lijkt alles te mogen, behalve ‘voortijdig’ doodgaan. Zelfs erover praten is taboe.”

Druk van anderen

“Ik heb altijd het gevoel gehad dat het leven mij niet paste. En dat ik, als ik om hulp vroeg, als een vierkant blokje met veel geweld in een rond gaatje werd geperst. De druk, de verwachtingen van anderen en onze maatschappij overspoelen me. Jaren heb ik geprobeerd mee te lopen. Hoe vaak het ook mislukte, ik hoopte altijd dat er een dag zou komen dat het leven me wel goed afging. Maar wat ik ook probeerde, bij het doel kwam ik nooit. En wat is het doel eigenlijk? Een plekje vinden in deze wereld, je thuis voelen misschien? Ik krijg dat niet voor elkaar. Ik denk weleens: mijn levensenergie had nooit in een menselijk embryo geboren moeten worden. Maar in een zaadje onder de grond of in een vogel in de wind.

Als klein meisje dacht ik elke avond al: misschien word ik 
morgen wel niet meer wakker. Die gedachte vond ik niet eng, maar fijn. Het voelde zelfs zo natuurlijk dat ik dacht dat iedereen dat had. Ik ben een nakomertje. Mijn moeder was bijna veertig toen ik werd geboren. Mijn zussen, een stuk ouder dan ik, zeiden over haar: ‘Eigenlijk had zij nooit kinderen moeten krijgen.’ Mijn moeder leefde in haar eigen wereld, deed niets anders dan schoonmaken en opruimen. Dat ze van me hield, heb ik maar zelden gevoeld – de zorg voor mij liet ze de eerste jaren vaak aan mijn oudste zus over. Maar als ik me goed 
gedroeg, dan vond ze me best lief, geloof ik.”

Mama’s verraad

“Op mijn negende ben ik misbruikt. Door de moeder van een vriendinnetje. Mijn moeder kwam erachter. ‘Je mag er nooit met iemand over praten,’ zei ze. ‘Ook niet met papa.’ Zij heeft hem ongetwijfeld niets verteld. Anders had ik vast nooit meer bij dat vriendinnetje hoeven spelen. Het fysieke misbruik heb ik verwerkt. Maar het verraad, de vertrouwensbreuk, bleek niet te lijmen. Zou dit de oorzaak zijn dat ik het zo moeilijk vind om me te hechten? Ik weet het niet, misschien zat het altijd al in me. Toen mijn opa en oma overleden was iedereen verdrietig. Vreemd, vond ik. Ik dacht: de dood, dat hoort toch bij het leven? Ik miste ze ook niet, terwijl ik heus dol op ze was. Maar weg is weg, dood is dood, heel simpel.

Ik herinner me de eerste keer, een jaar of twaalf was ik, dat ik er bewust naar verlangde om dood te zijn. Ik stond met mijn fiets aan een drukke straat. Opeens dacht ik: misschien kom ik wel onder een vrachtauto. Dan is het klaar, wat zou dat fijn zijn. Daarna overviel dat verlangen me vaker. Toch herinner ik me mijn jeugd niet als ongelukkig. Ik kon goed leren, daar genoot ik van. Ik kwam vaak bij mijn oudste zus, had een goede band met haar kinderen. En ik was dan een buitenbeentje op school, gepest werd ik niet. Pas toen ik ging studeren en in een studentenhuis kwam te wonen, kon ik er niet meer omheen. Ik was écht anders dan anderen.”

Buitenbeentjestherapie

“Mijn huisgenoten hielden zich bezig met uitgaan. Met jongens, sex, kleding en uiterlijk. Ik had daar niets mee en voelde nul aansluiting. Ik probeerde het wel en op het oog leek het te lukken. Maar het voelde als een masker dat ik ’s avonds uitgeput en opgelucht af mocht doen. In het weekend leefde ik op. Dan ging iedereen naar huis en kon ik rustig ademhalen, 
bevrijd van alle druk en de overvloed aan prikkels.

Om mijn ongemak te verbergen, praatte ik mee met de anderen. Natuurlijk had ik vriendjes gehad. Natuurlijk wist ik hoe sex in elkaar zat! Theoretisch wel, ja. Maar de praktijk trok me absoluut niet. Tongzoenen alleen al – vreselijk. Eén keer heb ik een vriend gehad. Het was vleiend dat hij me leuk en mooi vond. Maar het fysieke contact, dat ging niet. Veel hebben we ook niet gedaan; net genoeg om te ontdekken dat ik mezelf qua sex prima alleen kan vermaken. Daar heb ik geen ander voor nodig, liever niet zelfs. Want elke nabijheid van een ander 
vind ik lastig, zelfs een schoonheidsspecialiste die boven mijn gezicht hangt, verdraag ik niet. En hoe lief mijn vriend ook 
was, hij stond heel ver van me af. Hij wilde me elk weekend zien, terwijl ik dacht: alsjeblieft niet zeg. Na drie maanden 
zei ik: ‘Dit moesten we maar niet meer doen.’ Ik was intens 
opgelucht, maar dacht wel: zie je, er klopt echt iets niet met 
mij. Ik besloot hulp te zoeken en kreeg groepstherapie, samen met andere buitenbeentjes. We hadden het best gezellig. Toch voelde ik me ook daar niet thuis en was ik vooral voor hén aan het zorgen. Het was mijn eerste kennismaking met de reguliere GGZ; het begin van een zoektocht die ruim twintig jaar zou 
duren.”

Hou op, je bent niet suïcidaal

“Het was een weg vol hobbels, met veelal mensen die heus 
het beste met me voor hadden, maar bij wie ik voortdurend op onbegrip stuitte en die vooral bezig waren me in een hokje te stoppen. Want zo hoort het, dan kunnen ze er iets mee, dan héb je iets. Sprake van een depressie was er niet: ik kwam wel mijn bed uit, werkte, kon genieten van dingen. Maar dat genieten mengde niet met mijn zware ondertoon. Zoals druppels olie niet mengen als ze op water vallen. Wat het dan wel was, daar kon niemand de vinger op leggen. Alle labeltjes zijn gepasseerd, van een hechtingsstoornis tot persoonlijkheidsstoornissen.

Eindeloze gesprekken heb ik gevoerd. Ik vertelde regelmatig over mijn latente doodswens. Daar schrokken hulpverleners van. Maar ze veegden het vlug van tafel, want suïcidaal was ik niet. De boodschap was dat ik niet mocht voelen wat ik voelde. En dat ik raar was, moest veranderen. Dat wilde ik ook, graag zelfs, want ik voelde me ontheemd in deze wereld. Maar hoe? Ik had geen flauw idee.

Ik leefde mijn leven voornamelijk alleen. Vrienden maakte ik makkelijk, maar ik verloor ze ook weer snel. Steeds opnieuw ontdekten ze na een tijdje hoe anders ik was. Dat ik toneelspeelde. En dat het contact met mij eenrichtingsverkeer was. Ik 
investeerde niet. Als ik ze zag, vond ik het gezellig. Maar als 
ik ze niet zag, was het ook goed. Dat klinkt hard en kil, hè? 
Ik heb mezelf daar lang om afgekeurd. Pas nu durf ik onder ogen te zien dat ik gewoon zo bén. Houden van vind ik ingewikkeld. Ik weet niet goed wat het is en als mensen zeggen 
dat ze van me houden, raakt dat me niet. Bovendien vermoed ik altijd een verborgen agenda. Alleen bij mijn katten kan ik 
die argwaan laten varen.”

Werkloos op de bank

“Ondertussen had ik een huis gekocht en werkte ik als directiesecretaresse. Ik was goed in mijn werk, want ik zie alles en merk alles op. Maar ik wisselde vaak van baan. Want hoe tevredener ze waren, hoe aardiger ze me vonden, hoe meer druk ik voelde en hoe banger ik was om door de mand te vallen. Elke avond liep ik huilend de trap naar mijn huis op. Daarna zat ik versuft op de bank. Niet in staat om iets te doen, iets te voelen of iets te denken. Eten, alleen daarin vond ik troost. En slapen, heel veel slapen. Tientallen jaren van eenzaamheid – ondanks familie die me dierbaar is, maar niet wist van mijn last.

In de herfst van 2015 nam ik ontslag. Voor de zoveelste keer had ik mijn façade niet langer kunnen ophouden. Ik zat werkloos op mijn bank, zoals ik daar al zo vaak had gezeten. En ik besefte: volgend jaar zit ik hier weer. En het jaar daarop wéér. Het verandert niet, wat ik ook doe en welke hulp ik ook zoek. 
Ik had zo lang gezocht naar oorzaken voor het feit dat ik leven zo moeilijk vind. Steeds had ik me opnieuw ingezet om een 
manier te vinden het wél leuk te maken. Aanpassen en doorgaan, het was mijn overlevingsstrategie. Opeens voelde ik: 
het is genoeg. Ik wil niet meer zoeken naar hoe ik kan leven. 
Ik wil dood.”

Praten?

Inges verhaal kan veel losmaken. Wil je over je gevoelens praten? Bel Sensoor (0900-0767) voor een luisterend oor. Je kunt ook kijken 
op 113.nl, de site van de landelijke stichting 113 Zelfmoordpreventie, of bel ze op 0900-0113 (24/7 bereikbaar).

Deze organisaties begeleiden mensen met een serieuze, langdurige doodswens en verstrekken desgewenst informatie over zorgvuldige, humane zelfdoding:

• Het adviescentrum van de NVVE, nvve.nl
• Stichting De Einder, deeinder.nl
• Stichting LevenseindeCounseling,
levenseindecounseling.com

Hulp bij zelfdoding is strafbaar. Het verstrekken van informatie over hoe het op een humane manier aan te pakken níét.

Lees dinsdag het tweede deel van Inge’s verhaal op VIVA.nl.

 

Productie Lydia van der Weide m.m.v.  Carolien van Eerde, Coördinator Adviescentrum NVVE