Het jaar voordat ik doodga deel #3: ‘Drie, vier seconden kreeg ik iets van de muziek mee. Toen was ik weg’

zelfdoding

In een vijfdelige serie beschrijft journalist Lydia van der Weide het verhaal van Inge. Zij worstelt met een onmogelijke tweestrijd: leven of dood? Vandaag deel drie. 

Als kind dacht Inge (43) al elke avond: als ik niet meer wakker word, dan is dat ook goed. Vorig jaar besloot ze een einde aan haar 
leven te maken. Dat mislukte. Daarom gaf ze zichzelf nog één jaar. 
Om nog één keer te kijken of alles beter zou kunnen worden.

“Ik wilde dood en ik kon dood, zonder mezelf geweld aan te doen. Wat was ik opgelucht! Dat het zou lukken, daar twijfelde ik geen moment aan. Nu jij dit leest, weet je al dat er ergens 
onderweg iets is misgegaan. Ik vertel je immers mijn verhaal. Het is nog steeds onverklaarbaar hoe ik het heb overleefd. Dat gebeurt met deze middelen nóóit. Nou ja, bijna nooit dus.
Ik zal je vertellen hoe ik mijn laatste maanden beleefde. Maanden, ja: ik heb rustig de tijd genomen om me voor te bereiden en om afscheid te nemen. Bang voor de dood was ik niet. Soms, bij een boom in bloei of een mooie lucht, schoot er weleens door me heen: dit ga ik missen. Dan glimlachte ik. Want ik dacht: dat weet ik helemaal niet, als ik dood ben bestaat er vast geen missen meer. Misschien hoef ik wel niets te missen en ben ik straks overal. Ik geloof in een groot energieveld waar al het leven op aarde en dat daarbuiten vandaan komt. Ik geloof dat 
ik voortleef, dat mijn energie in heel kleine deeltjes verspreid terugkomt op aarde. Dat zal me zo veel beter passen dan een menselijke gedaante.”

Emotionele chantage

“Of ik dacht aan mijn familie die ik achter zou laten? Natuurlijk. Je zou eens moeten weten hoeveel hulpverleners die vraag verwijtend op mijn bordje hebben gelegd, als ik het waagde om over de dood te praten. Sprakeloos maakte me dat, zo veel onderschatting en emotionele chantage. Hoe kan iemand denken dat je daar makkelijk overheen stapt? Dat het níet continu door je hoofd spookt? Ik zie het anders: moet je nagaan hoe diep je 
zit als je je familie, in sommige gevallen zelfs je kinderen, kunt vergeten. Of er zelfs van overtuigd bent dat ze beter af zijn zónder jou. Dat is niet zomaar iets. Je staat niet op een dag op en denkt: ik ga er eens een einde aan maken. Daar gaat ongelooflijk veel aan vooraf. Als je besluit het toch te doen, zegt dat alleen iets over hoe onmogelijk het leven voor jou is. Niets over hoeveel je om een ander geeft.

Ik zou lieve familieleden achterlaten. Niet mijn ouders, die waren overleden. Maar wel zussen, hun dochters en partners. Ik kon goed met ze opschieten, al was ons contact niet heel diep. Natuurlijk dacht ik aan ze. Maar zij leefden mijn leven niet. En je kunt niet voor een ander blijven leven, toch? Ik was blij dat 
ik geen kinderen had – waar ik overigens ook nooit naar heb verlangd. Dan zou mijn beslissing veel ingewikkelder zijn. Mijn 
familie wist niet hoe zwaar het leven me viel. Ze kenden ook mijn lange GGZ-historie niet precies. Ook bij hen speelde ik mijn rol van gezellige, onafhankelijke, sterke vrouw. Ik besloot om ze niets over mijn voornemen te vertellen. Ik wilde ze er niet mee belasten en was bovendien bang dat ze het niet zouden begrijpen, boos zouden zijn of me zouden proberen tegen te houden. En mezelf verdedigen, uitleggen, daar voelde ik niets voor.”

Mijn afscheidskaart

“Maar de plannen brandden in mijn hoofd. Gelukkig had ik 
levenseindecounselor Joke om mee te praten. Dat was heel fijn en maakte het proces minder eenzaam. Of ik weleens gehuild heb? Jazeker. Vaak. Niet omdat ik dood zou gaan. Maar omdat ik dacht: goh, wat heb ik toch een mislukt leven gehad. Ik dacht aan alle keren dat ik me zo moe en onbegrepen had gevoeld. Aan alle muren waar ik tegenaan was gelopen. Aan alle keren dat ik mensen had teleurgesteld – en mezelf nog het allermeest. Al die pijn, een leven lang, passeerde mijn gedachten. Maar het sleet, het werd minder en minder. Ik voelde dat het goed was zo. Ja, het was goed.

Ik maakte via internet mijn eigen afscheidskaart. Ik vulde mijn naam in, mijn geboortedatum, alleen de laatste datum liet ik open. Wat zou een goede dag zijn? Wanneer zou ik mijn familie het minst belasten? Wanneer waren er geen verjaardagen, was er verder niets gepland?

Verder ruimde ik mijn leven op. Mijn huis, de bergruimte die ik vol had gegooid met van alles en nog wat: oude vloerbedekking, boeken, kleding, fotoalbums. Er waren dingen waar ik geen 
afstand van kon doen, die liet ik nog even staan. Twee weken later kon het dan opeens wel weg. Wat ben ik vaak naar de kringloopwinkel gelopen en naar de vuilstort gefietst.
En dan waren er mijn poezen. Ach, mijn poezen, mijn lieve, trouwe maatjes, die nooit oordeelden en me helemaal namen zoals ik was. Ik had er drie. Twee waren al maanden ziek, oud en krakkemikkig. Hun tijd was eigenlijk al gekomen. Ik heb ze laten inslapen. De jongste kon ik bij iemand kwijt. Hoe verdrietig me dat ook maakte, dit afscheid hoorde óók bij het proces. Alles rondom mijn dood plande ik zorgvuldig. Ik wilde dat de politie me zou vinden, een dag nadat ik was overleden. Lang 
in huis liggen, dat vond ik een akelig idee. Ik schreef de politie een brief waarin stond wat ik had gedaan. Dat ik het zelf had gewild. Dat ik niet gereanimeerd wilde worden als ik nog zou leven wanneer ze me vonden, en absoluut niet op een andere manier behandeld wilde worden. Ik vroeg ze om mijn familie te waarschuwen. En ze te vertellen dat er bij mij een afscheidsbrief voor ze lag.”

Het kon niet mislukken

“Twee dagen voor mijn gekozen datum liep ik naar de brievenbus. Daar liet ik de envelop de diepte in glijden. Een vreemd moment. Ik wist: nu is alles definitief in gang gezet. Ik had er anderen bij betrokken. Stel dat er iets mis zou gaan, dan zou ik ongetwijfeld gedwongen opgenomen worden en weer tegenover psychiaters komen te zitten. Iedereen zou ervan weten. Maar dat gevoel verdween snel; het kon onmogelijk mislukken.

Ik heb thuis schoongemaakt. Dat leek me wel fijn voor mijn 
familie. Ik heb zelfs – wat hebben ze daar later om gelachen – iets te drinken en te eten voor ze gehaald. Ik zag ze al zitten 
in mijn huis, met z’n allen bij elkaar, en dacht: dan hebben 
ze tenminste wat lekkers. Ik maakte mijn computer leeg. Mijn telefoon. Bij elke handeling wiste ik mezelf een stukje meer 
uit. Ik begon met de medicatie die ik in Nederland had weten 
te scoren. Er was geen moment van aarzeling: ik had een doel 
en werkte daar vastbesloten naartoe.

Ik schreef mijn afscheidsbrief. De woorden kwamen er soepel uit. Ik legde mijn familie uit hoe ik tot deze keuze was gekomen. Dat het me speet dat ik ze er nooit bij betrokken had, maar dat ik dat niet had gekund. Dat het hun schuld niet was. Dat ik van ze hield. En dat ze niet moesten huilen omdat het voorbij was, maar lachen om wat er was geweest. Kennelijk 
was ik heel eerlijk en duidelijk – anders was de week erna heel anders verlopen.”

Mijn laatste nacht

“Toen ben ik gaan slapen, mijn laatste nacht. Ik kan me voorstellen dat je je afvraagt of ik onrustig was, of zenuwachtig. Maar nee, helemaal niet. Ik sliep heerlijk, droomde niet en stond rustig op. Ik douchte uitgebreid. Trok wat makkelijks 
aan, zodat ze niet al te veel kleding zouden hebben om weg 
te knippen of uit te trekken. Om twaalf uur was het zover. Ik deed het dodelijke middel dat ik had besteld in een glas met drinkyoghurt en roerde goed. Rustig en vastbesloten dronk ik het op. Daarna waste ik het vlug af, zodat er voor niemand gevaar zou zijn. Toen werd ik wat raar in mijn hoofd. Ik liep naar de bank, ging liggen en trok een fleecedekentje over me heen. Ik zette muziek op en sloot mijn ogen. Klassiek, een adagio van Domenico Zipoli. Misschien drie, vier seconden kreeg ik ervan mee. Toen was ik weg.”

Praten?

Inges verhaal kan veel losmaken. Wil je over je gevoelens praten? Bel Sensoor (0900-0767) voor een luisterend oor. Je kunt ook kijken 
op 113.nl, de site van de landelijke stichting 113 Zelfmoordpreventie, of bel ze op 0900-0113 (24/7 bereikbaar).

Deze organisaties begeleiden mensen met een serieuze, langdurige doodswens en verstrekken desgewenst informatie over zorgvuldige, humane zelfdoding:

• Het adviescentrum van de NVVE, nvve.nl
• Stichting De Einder, deeinder.nl
• Stichting LevenseindeCounseling,
levenseindecounseling.com

Hulp bij zelfdoding is strafbaar. Het verstrekken van informatie over hoe het op een humane manier aan te pakken níét.

Lees dinsdag het tweede deel van Inge’s verhaal op VIVA.nl.

Lees ook:

Het jaar voordat ik doodga deel #1: ‘Dit gevoel verandert niet, 
wat ik ook doe en welke hulp ik ook zoek’
Het jaar voordat ik doodga deel #2: ‘Ik kan nu zonder geweld uit het leven stappen. Dat geeft rust’

Productie Lydia van der Weide m.m.v.  Carolien van Eerde, Coördinator Adviescentrum NVVE