Het stervende vogeltje

Onderaan de helling naar de fietskelder van ons kantoor zag ik een vogel zitten. Hij zat daar onbeweeglijk, dicht tegen de muur met zijn koppie onder een vleugel verborgen. Rondom het zwarte beestje lagen poepjes die eruit zagen als platgetrapte stukjes kauwgom. Het zag er niet naar uit dat het heel goed ging met het vogeltje. De zieligheidsfactor was hoog. Ik vond het sneu, maar rolde mijn fiets naar binnen zonder iets voor het beestje te doen.

Florence Nightingale
Ik ken dat met vogels. Als ze neergaan is er weinig redden aan. Lang geleden, tijdens een hittegolf (dan weten jullie meteen dat het echt lang geleden was), pleurde recht voor me een duif uit een boom. Dat triggerde het Florence Nightingale gevoel bij mij. Ik pakte het zielige hoopje veren op en fietste ermee naar de dichtstbijzijnde dierenarts. De man onderzocht het vogeltje dat totaal uitgeput bleek. Ik kreeg medicijnen om mee naar huis te nemen en mocht twaalf gulden afrekenen.

Jeugdige naïviteit
De twaalf kilometer naar huis fietste ik met één hand aan het stuur. Met de andere hield ik de duif vast. Onderweg leefde het beestje zowaar op. Ik voelde zijn warmte in mijn hand, de zachtheid van de veren en de kracht van de spieren die zich soms aanspanden. Ik stelde me voor dat het voor hem moest voelen alsof hij weer vloog, met zijn koppie in de wind. Het was jeugdige naïviteit: het beestje moet doodsbang zijn geweest en probeerde met zijn laatste krachten los te komen.

Dramatisch
Thuis regelde ik een doos als tijdelijk verblijf voor de duif. De pootjes krasten tegen het karton terwijl de vogel probeerde op te krabbelen. Ik ging weg om binnen water te halen. Met een vol kommetje keerde ik terug bij de doos. Twee of drie minuten was ik weggeweest, maar dat was genoeg geweest voor de vogel om te sterven. Daar lag hij in een hoek van de doos, kromgetrokken op zijn zij. ‘Nee! Niet doodgaan,’ riep ik dramatisch. Ik gooide wat water op het kopje. Een stuiptrekking, daarna was het echt voorbij.

Gevederd lijkje
Het diertje dat ik net nog levend in mijn hand had vastgehouden, pakte ik daarna met tegenzin op. De dood had er iets vies van gemaakt. Toch moest ik het doen, want de dode vogel moest weg. Ik bracht het naar de vuilcontainer en gooide het gevederde lijkje in het duister. Onderin de bak klonk een doffe bonk. Het verbaasde me dat het diertje zo kort na het intreden van de dood al zo hard kon zijn. Ik keerde terug naar huis met een machteloos gevoel. Daar smeet ik de medicijnen die me twaalf gulden hadden gekost boos in de prullenbak.

Meedogenloos
Het leven van een vogel is mooi. Ze zijn vrij om te vliegen waar ze maar willen. Hoog in de lucht spelen ze met de wind. Maar als ze uit de lucht vallen is de natuur meedogenloos. Voor een vogel komt de dood snel. Het zwarte beestje bij de fietsenkelder zal nooit meer vliegen. Straks is het weg, ligt het dood ergens onderin een container. Wat er overblijft zijn poepjes. Als het regent is ook dat weg en denkt niemand meer aan dat stervende vogeltje. Maar die duif ben ik nooit vergeten.

CC foto: ZeroOne