Hoe een KitKat mijn leven redde

‘Kan ik u helpen, mevrouw?’ De tankstationmeneer kijkt me vriendelijk aan door zijn dikke brillenglazen.
‘Ik, eh,’ stamel ik, terwijl ik mijn aandacht probeer los te rukken van de chocoladereep in een roodwitte verpakking. Ik twijfel nog een paar tellen. Ach, wat. Alsof ik van één KitKat honderd kilo aankom. Ik gris hem uit het rek. ‘Pomp vier en deze, graag.’

Scheurijzer
Al kauwend zoef ik even later weer door de nacht. De snelweg strekt zich eindeloos uit in het licht van mijn koplampen. Er is bijna niemand op de weg, alleen een eindje achter me zie ik de koplampen van een medenachtbraker. Rechts van me voegt een andere rijbaan zich bij de weg waar ik op rijd, met een scherpe bocht. Daarover komt een auto aanrijden. Aanscheuren, mag ik wel zeggen. Hij rijdt behoorlijk hard. Maar goed, het is een Audi. Ik zou waarschijnlijk ook hard rijden als ik een Audi had.

Verkreukeld servetje
Op het moment dat ik dat denk, zie ik dat de auto de bocht helemaal niet neemt. Hij rijdt rechtdoor en snijdt mijn kleine Citroëntje daarbij bijna de neus af. Zonder na te denken trap ik op de rem en wijk ik met piepende banden uit over het verdrijvingsvlak. De Audi boort zich met een noodvaart in de vangrail. Op de vrolijke tonen van Robbie Williams’ Candy zie ik dat de motorkap met een verbazingwekkend gemak verkreukelt. Het ziet er even moeiteloos uit als het opproppen van een servetje.

Leeggeslurpt
Ik zet mijn auto voor de gecrashte Audi neer, schakel de radio uit en druk op het knopje van de alarmlichten. Hijgend blijf ik een paar seconden luisteren naar de plotselinge stilte. ‘Stop. Stop nou. Stoppen,’ mompel ik dwingend tegen de bestuurder van de auto die net achter me reed, maar hij sjeest door. Al snel verdwijnt het rood van zijn achterlichten in de nacht. ‘Fuck,’ fluister ik tegen de achteruitkijkspiegel, waarin ik de Audi hulpeloos in de vangrail zie liggen. De situatie is namelijk als volgt: ik kom terug van een weekend werken aan de andere kant van het land, maar ik was tijdens het inpakken van mijn tas vergeten de oplader van mijn mobiele telefoon mee te nemen. De batterij van mijn mobiel is dus helemaal leeggeslurpt. Die doet niets meer.

Het ziet er niet positief uit
Hier sta ik dan: in mijn eentje op een verlaten snelweg, met achter mij een auto die waarschijnlijk een gewonde bevat. Of – niet aan denken, niet aan denken – misschien zelfs een dode. En ik kan geen 112 bellen, want mijn mobiel heeft het uren geleden al opgegeven. Kakjes. Ik stap uit en blijf even besluiteloos naast mijn auto staan. Dan loop ik naar de plek des onheils toe. Ik heb geen plan. Eigenlijk durf ik niet te kijken. Eigenlijk wil ik in mijn auto stappen en naar huis rijden. Ik heb zere benen, branderige ogen en in mijn achterhoofd zeurt al dagenlang een hoofdpijn die alleen kan worden verdreven door een nacht goed slapen. Maar ik pieker er niet over om ‘m te smeren.

Meneer?
‘Geen bloed, geen bloed, geen bloed.’ Ik herhaal de smeekbede zachtjes, terwijl ik de verwrongen deur van de Audi openwrik. De man die erin zit hangt een beetje voorover. ‘Meneer?’ zeg ik op ferme toon. Ik klink als iemand die controle over de situatie heeft. Wat een grap. De man reageert niet. ‘Meneer,’ herhaal ik wat harder. ‘Meneer! Meneer!’ Hij heeft geen kik. Ik durf hem niet aan te raken en volgens mij heb ik ooit ergens gelezen dat dat ook helemaal niet mag. Besluiteloos kijk ik om me heen. Dan zie ik het, in de verte. Koplampen! En niet één paar, maar een hele rij. Ik stel me zo dicht mogelijk bij de vangrail op en begin te schreeuwen en zwaaien. De redding is nabij.

Of misschien ook niet
De eerste auto remt, begint met zijn alarmlichten te knipperen, maar zodra hij mij en de gecrashte auto gepasseerd is, geeft hij weer een dot gas. De bestuurder van de tweede auto maakt een onbeleefd gebaar en toetert nijdig naar me. Ik blijf zwaaien en om hulp schreeuwen. Zijn ze blind? Hebben ze allemaal heel veel haast? Ligt er op iedere langsscheurende achterbank een vrouw te bevallen? De derde en vierde auto rijden ook door. Pas als ik de hoop bijna heb opgegeven, stopt auto nummer vijf. Er stapt een man uit met zijn mobiel al in de aanslag. Ik laat mijn naam en nummer achter bij de redder in nood, die met zijn wél werkende mobiel 112 belt.

Bruine levensredder
Als ik alweer een halfuur in de auto zit en bijna thuis ben, begin ik ineens helemaal te trillen. Als ik anderhalve seconde korter had getwijfeld over die KitKat, had de Audi zich niet in de vangrail geboord, maar in de zijkant van mijn autootje. Het besef komt hard aan. Het ziet ernaar uit dat mijn chocoladeverslaving mijn leven heeft gered.
Of in ieder geval mijn no claim.

De auto bleek total loss. Niet dat de bestuurder er nog veel aan zou hebben, want zijn rijbewijs is ingenomen omdat hij te veel had gedronken. Hij is die avond voor controle naar het ziekenhuis gebracht.

Foto: Kaybee007