Kobold

Midden in de nacht komt hij aansluipen, op een moment waarop ik  het niet verwacht. Zijn slepende voetstappen galmen door het huis. In het schijnsel van de straatverlichting tekent zijn silhouet zich af, zijn gezicht verborgen in de nachtelijke schaduwen.

Mannetje 
Een klein mannetje sluipt voor de zoveelste keer mijn leven binnen. Helaas is het geen blije tuinkabouter met een hengeltje of een kruiwagentje in zijn kleine kabouterklauwtjes. Nee, dit schepsel hanteert geen vis- of tuingereedschap, maar een mes en hamer. Dit is het zwarte schaap van de kabouterfamilie, de kobold.

Herkenning
Ik word wakker van zijn sluipende voetstappen en de schok als hij op het bed springt, en ik slaak een diepe, wanhopige zucht van onwillige herkenning. Ik span mijn spieren en wacht op zijn aftrap terwijl hij over het dekbed kruipt, richting mijn hoofd. Hij trekt zijn mes, en wrikt voorzichtig in mijn schedelnaden, legt mijn brein bloot. Ik voel elke beweging en huiver, terwijl ik doodstil blijf liggen. Ik voel de koele wind op mijn hersenen. Met doffe slagen begint hij mijn hersenen te bewerken met zijn hamer. De kleinste beweging die ik maak dreunt mee in de maat van zijn slagen. Kreunend probeer ik zijn gebeuk te ontwijken door op mijn andere zij te rollen, maar dit heeft een averechts effect. Nog harder daalt de hamer neer op mijn hoofd.

Misselijk
Ik voel misselijkheid opkomen. Ik kerm mijn man uit bed, smeek om een emmer. Dankzij zijn jarenlange ervaring als mijn bedpartner kent hij het klappen van de zweep als geen ander. Hij rent op en neer en smijt de emmer naast het bed. Net op tijd. Ik buig me voorover en deponeer de maaltijd van de voorgaande avond  in de appelgroene emmer. Mijn kleine vijand laat zich niet onbetuigd. Hardvochtig ramt hij tijdens het braken des te harder door. Hij viert een feestje in mijn hoofd. Hij springt touwtje met mijn hersenschors, kauwt op mijn hypofyse en spuugt hem weer uit.

Adempauze
Onophoudelijk gaat hij door, tot hij er eindelijk genoeg van krijgt en hij zijn aandacht even laat verslappen, net lang genoeg voor mij om me uitgeput terug te laten zakken in bed. Heel voorzichtig draai ik me om. Het kleine huftertje steekt een waarschuwend en vies vingertje op, maar laat me met rust. Ik blijf heel stil liggen, terwijl ik wacht op een nieuwe beuksessie, die gelukkig uitblijft. Tijdens het wachten begint de pilvormige tegenaanval eindelijk zijn werk te doen en val ik in slaap.

Nasmeulend
Uren later word ik wakker. De kobold is verdwenen. In mijn hoofd voel ik de smeulende resten van zijn rampspoed, maar ik kan weer bewegen en kijken zonder dat mijn hoofd gevoelsmatig van mijn romp rolt. Opgelucht ga ik overeind zitten. Mijn hersenen persen zich protesterend samen en sturen waarschuwingssignalen naar mijn maag, maar alles blijft op zijn plaats. Ik zwaai mijn benen over de rand, waarbij ik het appelgroen omtrap. De serie vloeken die ik eruit gooi, laten mijn hersenen opnieuw samentrekken. Ik smijt een handdoek over de grondsituatie, want een activiteit als bukken bestaat alleen in een pijn- en koboldvrij universum. Dit zal even moeten wachten.

Ik heb weer een aanval doorstaan. Een aanval onder leiding van een kleine rotzak die luistert naar de naam ‘migraine’.

CC foto: Aimannes