Michelle liep een vleesetende bacterie op: ‘In de ogen van mijn man zag ik pure angst’

vleesetende bacterie

Wat begon als een griepje, eindigde in vechten voor haar leven op de intensive care. Michelle Los (39) had een vleesetende bacterie opgelopen die haar van binnenuit verslond.

‘Als moeder van twee jonge kinderen, juf op een basisschool en zelfstandig trouwambtenaar op bruiloften kwam het natuurlijk écht niet uit dat ik me niet lekker voelde. Met paracetamol sleepte ik me voort. Ik wilde per se de paasviering met mijn eigen klas doen; ik vond het niet leuk voor ze als ik er zelf niet bij was. Daarna zou ik me ziek melden, had ik bedacht. Die middag stortte ik in op de bank. Ik had het vreselijk koud en was helemaal afgedraaid. De volgende dag lukte opstaan eigenlijk niet, zo ziek en zwak voelde ik me. Mijn ouders kwamen om voor de kinderen en het huishouden te zorgen, zodat ik kon uitzieken. Een hele opluchting dat ik er even aan toe kon geven.’

‘Toen ik in de loop van de dag pijn kreeg in mijn linkerbeen, was ik niet meteen gealarmeerd. Het was een soort spierpijn, waardoor ik moeizaam liep. Zie je wel, een flinke griep, dacht ik. Mijn man besloot de kinderen voor het weekend mee te nemen naar zijn ouders in het noorden, zodat ik in alle rust kon bijkomen. Ik gaf de kinderen een kus, niet wetende dat ik ze toen bijna voorgoed gedag zei. Ik was vooral blij dat ze even wat leuks gingen doen bij opa en oma; aan zo’n zieke moeder hadden ze toch niks. Kon ik zonder schuldgevoel mijn bed weer in. Maar een paar uur later werd ik wakker, creperend van de pijn in mijn been. Mijn enkel was opgezwollen en ik zweette me kapot door de koorts. Radeloos belde ik mijn zus, die me meteen naar de huisartsenpost bracht.’

Spoedoperatie

‘Beginnende trombose, dachten ze daar. Ik kreeg een injectie om bloedpropjes te voorkomen en moest me de volgende dag melden bij de spoedeisende hulp. Ik vermande me en wilde doen wat ze zeiden, maar midden in de nacht sloeg de verontrusting toe. Het ging echt niet meer, de pijn was ondraaglijk. In tranen belde ik mijn man. Hij bedacht zich geen moment, hoorde aan mijn stem dat het foute boel was. Hij sprong in de auto, scheurde de donkere nacht in en bracht me terug naar het ziekenhuis. Deze keer waren de artsen al snel in rep en roer. Hun blik stond op standje bezorgd. Om de tien minuten kreeg ik morfine toegediend, maar het hielp niks. Niemand wist wat ik had. In de ogen van mijn man zag ik iets wat ik niet kende van hem: pure angst.’

‘Ik was stoned van alle morfine, ving flarden op van wat de artsen aan mijn bed deden en zeiden. Zo omcirkelden ze alle rode plekken die op mijn linkerbeen verschenen, het werden er meer en meer. ‘Dit kan niet, dit is niet goed,’ hoorde ik ze mompelen. Een co-assistent vroeg of het misschien necrotiserende fasciitis (NF) zou kunnen zijn, de vleesetende bacterie. Maar dat kon volgens de arts statistisch gezien niet, want er lag al een vrouw met die bacterie in dit ziekenhuis.’

‘Nóg een geval op dezelfde plek zou onmogelijk zijn: de bacterie is ontzettend zeldzaam. Ik hoorde dat ze mijn been gingen openleggen om te zien wat er mis was. Een spoedoperatie? Nu meteen? Ik werd overvallen door paniek. Ik zie mezelf nog in slow motion mijn armbandje en trouwring afdoen, maar daarna ging alles razendsnel. Daar ging ik al, de witte klapdeuren door naar de wachtkamer van de ok.’

Lees ook:
Dunya had een mola-zwangerschap: ‘Ik dacht dat ik dood zou gaan’

Op de intensive care

‘Alleen en doodsbang lag ik daar te wachten op de operatie, ervan doordrongen dat het ernstig was. Mijn oog viel op een tekening van Winnie de Pooh in een hoek van de kamer, en mijn hart stond even stil. Mijn kinderen! Heb ik wel goed genoeg afscheid van ze genomen? Hebben ze mij wel echt gezien nog, of waren ze al te druk met het vertrek naar opa en oma? Ik kon nergens anders meer aan denken. Vol verdriet ging ik de operatiekamer in. Het was de eerste operatie van vier die ik in anderhalve dag zou ondergaan.’

‘Ik bleek inderdaad een vleesetende bacterie te hebben, die zich al verder aan het verspreiden was via mijn bloedbaan. Naar mijn andere been en mijn arm. Ik heb daar niks van meegekregen, want ik lag na de operatie in diepe slaap aan de beademing op de intensive care. Af en toe kwam ik even bij, dan zag ik mijn moeder aan mijn bed zitten. Ik was onrustig. De verpleging moest me aan mijn polsen vastbinden, zodat ik de apparatuur niet meer los kon trekken. Nog diezelfde eerste avond greep de bacterie flink om zich heen. De artsen waren bang dat het ook naar mijn hartkleppen was overgeslagen. Dan zou ik het niet overleven.’

‘Er volgde nog een operatie. De bacterie had mijn hartkleppen gelukkig niet aangetast, maar de artsen hebben wel overwogen mijn been te amputeren. Het is ze uiteindelijk gelukt om dat te voorkomen, want toen ik ontwaakte op de ic zag ik meteen mijn enorm opgezwollen been. Ik keek recht op mijn kuitspier en botten, mijn linkerbeen lag open van mijn enkel tot mijn bovenbeen, aan beide kanten. Wat een schok! Drie keer per dag kwamen ze die gapende open wonden verzorgen, waarbij ik van de pijn in de bedpapegaai hing. Elke keer weer kneep ik mijn stressbal plat; de nagels stonden erin.’

‘Thuis ging ondertussen het normale leven verder. Mijn man hield alles draaiende met hulp van vrienden en familie. Hij stond in de overlevingsstand. Hij was bezorgd, maar vooral vol vertrouwen dat het goed zou komen. Iedere avond na zijn werk, als de kinderen sliepen, was hij bij mij op de ic.’

Emotionele achtbaan

‘Binnen vijf dagen ging ik van bijna dood op de intensive care naar de gewone verpleegafdeling. Lag ik ineens tussen mensen die aan hun amandelen waren geopereerd, heel onwerkelijk na de wereld waarin ik net was geweest. Ik heb ontzettend veel gehuild, had het moeilijk met wat me was overkomen. Iedere dag zei een stoet artsen aan mijn bed hoe mooi mijn been heelde. Woest werd ik ervan, want ‘mooi’ kwam in mijn woordenboek niet bepaald voor als ik dat been vol vers gehechte wonden zag. Mijn lichaam voelde niet meer als dat van mijzelf. Kwam er iemand in een rokje binnen, dan mocht ze rechtsomkeert maken.’

‘De tijd op de verpleegafdeling was verwarrend. Emoties buitelden over elkaar heen: ik ging van boosheid naar groot verdriet, maar voelde ook veel dankbaarheid en wilskracht. Ik wist niet goed wat ik moest doen. Ik kon blijven huilen en mezelf heel zielig gaan vinden, of ik kon sterk zijn. Aan mijn kinderen laten zien dat je ook een keuze hebt als het leven flink tegenzit. Dat je, ondanks beperkingen, er toch voor kunt gaan. Daar koos ik voor. Ik besloot mijn eerste doel te stellen: over een jaar zou ik vijf kilometer hardlopen. Ambitieus, want op dat moment kon ik nog amper rechtop op de rand van mijn bed zitten.’

‘Dat stellen van doelen is mijn redding geweest tijdens de revalidatie. Het was een rauwe werkelijkheid, als ik mezelf zag staan zwabberen op de loopbrug bij de ziekenhuisfysio. Ik moest opnieuw leren lopen, met een voet die in een spitsstand stond. Ik, de fitte en supersportieve ik, kwam amper vooruit. Drie maanden heb ik bij een revalidatiecentrum gewerkt aan verder herstel, vol ongeduld omdat het me te langzaam ging. Iedereen om me heen zag vooruitgang, maar niemand zag de tranen, de onzekerheid en de intense vermoeidheid. Mijn man was een grote steun voor me, maar we hebben ook woordenwisselingen gehad omdat je dit soort dingen nu eenmaal allebei anders verwerkt. Ik kon gelukkig altijd mijn verhaal bij hem kwijt.’

Het hele verhaal van Michelle lees je in VIVA-23-2021. Deze editie ligt vanaf 9 juni in de winkel.
Sommige artikelen kun je maar gedeeltelijk lezen op viva.nl, omdat ze afkomstig zijn uit de papieren VIVA. Uit respect naar onze abonnees én om te zorgen dat wij online leuke gratis content kunnen blijven maken. We hopen te kunnen rekenen op je begrip!

VIVA nieuwsbrief

Iedere week de leukste nieuwsbrief van Nederland in je mailbox?

Tekst: Brenda Kluijver | Foto: Joost Hoving