Nina was slachtoffer van Münchhausen by Proxy: ‘Ik mocht geen gezond kind zijn’

munchhausen by proxy

Dit artikel is eerder verschenen in VIVA 30.

Nina Blom (39) was als kind slachtoffer van Münchhausen by Proxy. Jarenlang werd ze opzettelijk door haar eigen moeder ziek gemaakt. Zo erg dat ze op het laatst niet meer kon lopen.

Tekst Marit de Wit | Beeld Shutterstock

‘Ik zie mezelf nog zitten op het bed in die lege en steriele ziekenhuiskamer. Een negenjarig meisje, angstig en verward. Een arts testte mijn reflexen. Achter hem mijn moeder, zo opgesteld dat hij haar niet kon zien. Ik voelde haar priemende blik. Met een hamertje tikte de arts vlak onder mijn knieschijf waardoor mijn onderbeen omhoog schoot. Hij vroeg of het pijnlijk was. ‘Gaat eigenlijk wel’, mompelde ik naar waarheid. Het floepte eruit. Angstig keek ik naar mijn moeder. Die ijzige blik. Dit was niet het antwoord dat ze had willen horen. De arts onderzocht mijn andere been. Ik loog dat dit wél pijn deed. De adrenaline schoot door mijn lijf. Wat voelde ik me schuldig tegenover de arts. Achter zijn rug knikte mijn moeder. Ik had juist gehandeld.

Als klein meisje wist ik niet beter of ik was regelmatig ziek. Volgens mijn moeder kampte ik met een slechte gezondheid. Ze mankeerde zelf ook altijd wel wat. De ene keer had ze spataderen, dan weer buikklachten. In onze huiskamer slingerden tientallen medische boeken en tijdschriften rond. Dat vond ik vreemd, maar meer zocht ik er niet achter. Als mijn moeder weer eens was opgenomen in het ziekenhuis zorgde mijn vader voor mij en Eva, mijn drie jaar oudere zus. Hij was een afstandelijke man die bij vlagen zeer agressief uit de hoek kon komen.

Eva was mijn grote voorbeeld. Toen een ouder meisje haar pestte, rende ik op dat kind af en schreeuwde dat ze Eva met rust moest laten. Ik was pas acht, maar niemand mocht aan mijn zus komen.’

Misschien had ik een zeldzame spierziekte

Mysterieuze spierziekte

‘Ik plaatste toen nog geen vraagtekens bij mijn klachten. Ging er vanuit dat mijn moeder het heus wel zou weten. Op mijn vijfde kreeg ik voor het eerst door dat er niets niet klopte. Ik moest tegen de huisarts zeggen dat ik pijn had in mijn buikje. Dat vond ik vreemd, want ik had nergens last van. Toch deed ik wat ze van me verwachtte. Voor de buitenwereld speelde ze de bezorgde moeder, maar eenmaal thuis veranderde ze in een kille vrouw. Alleen als we over mijn slechte gezondheid spraken, sloop er iets van affectie in haar houding. Haar stem veranderde en haar blik verzachtte. Maar zodra ik ook maar een beetje tegensputterde, keerde die ijzige oogopslag terug. Haar dreigende houding maakte me zo angstig dat ik alle onderzoeken gelaten onderging. Mijn moeder wist iedereen perfect om de tuin te leiden. Buren, familie, school – iedereen dacht dat ik een zwak gestel had. Ook mijn vader ging mee in haar verhaal, hij bemoeide zich weinig met ons.

Hoe vreemd het ook klinkt, de meeste artsen roken geen onraad. Of ze twijfelden wel, maar grepen niet in. Zo blijkt uit mijn dossiers dat mijn toenmalige huisarts wel degelijk zijn twijfels had. Maar zodra een arts kritiek uitte, vertrok mijn moeder en zocht een nieuw ziekenhuis.  Op die manier kon ze jarenlang ongestoord haar gang gaan.

Op mijn negende klaagde ik na het zwemmen over spierpijn. Volgens mijn moeder was er iets mis met me. Ik liep de laatste tijd zo moeizaam. Anderen was het ook opgevallen. Ze dacht aan reuma. Ik moest waarschijnlijk opgenomen worden in het ziekenhuis voor onderzoek. Het was een van die zeldzame keren dat ik haar tegensprak. Maar mijn woorden bereikten haar niet. Op dat moment werd ik echt bang.

In het ziekenhuis onderging ik een traumatisch spieronderzoek waarbij de verpleegkundige naaldjes op mijn lijf plaatste die elektrische schokken afgaven.

Toen bleek dat ik gezond was, klaagde mijn moeder tegen de arts dat ze niet meer wist wat ze met mij aanmoest. Mijn klachten moesten toch een oorzaak hebben? Misschien had ik een zeldzame spierziekte. Eenmaal thuis reageerde ze furieus. Schreeuwde dat ze me zou afmaken als ze erachter kwam dat ik de boel besodemieterde. Ze ging volledig op in haar eigen waarheid.

In die periode was ik steeds vaker afwezig op school. Mijn moeder hield Claudia, mijn beste vriendin, en Eva vakkundig bij me vandaan. En na een tijdje mocht ik zelfs niet meer naar school. Ik moest zoveel mogelijk op bed blijven liggen. Met steunkousen en verband zwachtelde ze mijn benen en armen in. Zo strak, dat mijn ledenmaten begonnen te tintelen. Dit zou mijn herstel versnellen. Nu weet ik dat ze zo de bloedtoevoer afkneep. Ik was ontzettend in de war en begon te geloven dat ik echts iets mankeerde.

Ik lag verlamd op bed, slechts in staat om mijn hoofd te bewegen

Ondertussen gingen de ziekenhuisbezoeken door. Voorafgaand aan elk consult gaf moeder instructies en verwijderde de zwachtels. Door het strakke inzwachtelen verslapten mijn ledenmaten en was ik stijf. De artsen snapten er niets van. Volgens onderzoeken was ik gezond en toch oogde ik niet zo. Op een gegeven moment dachten ze dat het tussen mijn oren zat en volgde een opname in een psychiatrische kliniek.

Uiteindelijk hield mijn moeder me thuis. Ik was inmiddels in een rolstoel beland, want door alle indoctrinatie en het beperkte bewegen, ontwikkelde ik echte klachten. De enige lichtpuntjes in mijn leven waren Eva en Moortje, de kat. Ik vluchtte in een droomwereld en fantaseerde dat ik samen met Eva en Moortje op een zonnig eiland woonde. Ik kon weer lopen en mocht naar school. Mijn ouders kwamen geen moment in deze wereld voor.’

Reddende engel

‘Op een middag klonk de deurbel. Ik was veertien en lag verlamd op bed, slechts in staat om mijn hoofd te bewegen. Ik droeg een katheter en kreeg sondevoeding. Dagelijks moest ik 21 soorten medicijnen slikken, waaronder Luminal en Vesparax. Achteraf weet ik dat dit middelen zijn om een leven te beëindigen.

Na de bel wandelde dokter Vrienten binnen, de kinderarts bij wie ik onder controle was. Met een vriendelijk gezicht vertelde hij dat hij me zou helpen. Ik was te verzwakt om te reageren. De rest van de middag herinner ik me in flarden. De brancard waarop ik werd getild. Mijn smoezende ouders in de gang. De krappe lift. De zomerzon die sinds tijden mijn huid weer verwarmde. En vervolgens die typische, muffe ziekenhuisgeur. Het maalde in mijn hoofd: niet wéér die medische molen in.

Dokter Vrienten bleek mijn reddende engel. Vanaf het moment dat we bij hem op consult waren, viel het hem op dat mijn moeder zich zo opdrong en telkens aanstuurde op onderzoek. Hij vertrouwde het niet, maar liet niets merken aan mijn ouders. Ondertussen spoorde hij de ziekenhuizen op waar ik onder behandeling was geweest. Uit mijn dossiers werd duidelijk dat ik slachtoffer was van Münchhausen by Proxy. Een zeer ernstige vorm van kindermishandeling waarbij de primaire verzorger, meestal de moeder, het kind opzettelijk ziek maakt. Omdat Münchhausen by Proxy lastig te bewijzen valt, duurde het even voordat dokter Vrienten daadwerkelijk kon ingrijpen. Pas toen mijn vader tijdens een consult over euthanasie begon en liet weten dat ze een hond allang hadden afgemaakt, had hij voldoende bewijs. De Officier van Justitie en Jeugdzorg werden ingeschakeld en nog diezelfde middag werd ik onder politiebegeleiding uit huis geplaatst.

Het revalideren duurde ruim negen maanden. Mijn spiegelbeeld had ik al twee jaar niet meer gezien. Een verpleegkundige vroeg of ze mijn haar in een staart mocht vastbinden. Toen ze klaar was haalde ze een ronde spiegel tevoorschijn. Ik staarde naar een vreemde. Mijn korte haar was inmiddels lang. Ik was veranderd in een jonge vrouw.  Onwennig bevoelde ik mijn wangen. Hoorde dit bij mij?

Langzaam drong tot me door wat mijn moeder me had aangedaan. Dat ik van haar geen gezond kind mocht zijn. Tegelijkertijd verviel ik nog regelmatig in mijn rol van ziek kind zodra er een arts in mijn buurt was. Dagelijks mochten mijn ouders onder cameratoezicht een uur op bezoek komen. Ze speelden de vermoorde onschuld. Al snel kon ik er niet meer omheen dat ze mijn herstel belemmerden. Ze waren niet langer welkom.  Zodra mijn moeder dat hoorde, kroop ze in haar slachtofferrol. Ik maakte het gezin kapot. Als ze straks de deur uitliep, zou ze zichzelf voor een trein gooien. ‘Weet je wat, dacht ik, doe het dan maar.’ Bij de draaideur namen we afscheid. Het zou onze laatste ontmoeting zijn. Ik voelde een enorme opluchting, maar wist ook: vanaf nu moet ik alleen verder.

Mijn ouders werden uit hun ouderlijke macht ontzet. Tot 2009 verkeerde ik in de veronderstelling dat dit definitief was totdat ik inzage kreeg in mijn dossiers: het ging om slechts acht maanden. Het is me nog altijd een raadsel waarom niemand, bijvoorbeeld een kinderarts, destijds aangifte heeft gedaan. En waarom niemand zich bemoeide met Eva. Zij heeft nog vijf jaar bij onze ouders gewoond. Ons contact was al tijden slecht. Onze moeder had ons achter onze rug om tegen elkaar uitgespeeld. Eva dacht dat ik doodziek was en zou overlijden. Ik veronderstelde dat ze me haatte, omdat alle aandacht altijd naar mij was gegaan en voelde me ongelooflijk schuldig.

Op mijn vijftiende kwam ik terecht in een woongroep en stortte me op het leven. Volgde de mavo, mbo en studeerde aan de kunstacademie. Ik maakte nieuwe vrienden en leerde Sean, mijn huidige vriend, kennen. Een ongelooflijke lieverd. Mijn verleden duwde ik weg. Totdat ik op mijn zevenentwintigste last kreeg paniekaanvallen, nachtmerries en concentratiestoornissen. Ik had het Post Traumatische Stress Syndroom. Mijn lijf hield jarenlange spanning vast, wat zich uitte in lichamelijke klachten zoals hardnekkige blaasontstekingen en een ontstoken tand. Pas na negen jaar therapie lukte het om mijn verleden af te sluiten.’

Hereniging met Eva

‘Vier jaar geleden verscheen mijn boek, Je bent een verschrikkelijk kind. Ik vertelde mijn verhaal in verschillende bladen en televisieprogramma’s. Op een middag lag er een dikke envelop in mijn brievenbus. Ik herkende het priegelige handschrift van mijn vader. Ik was er op voorbereid en toch trilden mijn vingers toen ik de envelop openscheurde. Maar liefst vijf kantjes. De inhoud maakte me misselijk. Mijn ouders waren geschokt door mijn boek. Hoe durfde ik te beweren dat ze me veertien jaar lang hadden mishandeld? In hun beleving waren ze altijd goed voor me geweest.

Een week later ontving ik op Facebook een vriendschapsverzoek van een vrouw die beweerde dat ze mijn zus was. Een knappe verschijning met lang donker haar. Ik twijfelde of ze de waarheid sprak. Het was immers achttien jaar geleden dat we elkaar voor het laatst hadden gezien. Nog diezelfde avond stuurde ze een privébericht. Ze had een boze brief ontvangen van onze ouders waarin ze verwezen naar mijn boek. Op die manier had ze me weten op te sporen. Ik vroeg of ze de brief wilde scannen als  bewijs. Stuiterend van de zenuwen zat ik achter mijn computer en las Eva’s brief. Dit was mijn zus.

Als ik terugdenk aan die dag waarop ik mijn voordeur opende en Eva lachend op me af zag lopen, overspoelt me nog steeds een intense blijdschap. Ik glimlachte en huilde tegelijk. Wat was ze mooi. Net als ik droeg ze een bloem in haar halflange haar en liep licht huppelend. We vielen elkaar in de armen. Ik snoof haar vertrouwde parfum op: Sun van Jill Sander. Ze pakte mijn gezicht vast en herhaalde keer op keer dat ik zo volwassen was geworden. Tot diep in de nacht hebben we gepraat en gehuild, maar vooral: gelachen.

Vroeger haatte ik hen. Ik wilde nooit, nóóit worden zoals zij

Eva bestelde direct mijn boek. Sommige hoofdstukken moest haar vriend voorlezen, die waren te heftig. Ook zij is geestelijk en lichamelijk mishandeld door onze vader en moeder. Maar dat is haar verhaal. Ze blijft liever op de achtergrond. Ik kies ervoor om naar buiten te treden. In het begin nog anoniem. Mijn ouders hoefden niet te weten hoe het met me ging. Daarbij wilde ik niet alleen maar als slachtoffer overkomen. Sinds kort vertel ik herkenbaar mijn verhaal.

Als klein meisje riep ik altijd dat ik een groot gezin wilde. Maar eerlijk gezegd, durf ik het niet aan om aan kinderen te beginnen. Ik heb er nog altijd moeite mee om een arts te bezoeken, en ben bang dat ik bij een kind al helemaal snel in paniek zou raken. Sean begrijpt dat. Desondanks voel ik me sterk en gelukkig. Ik heb een eigen atelier en werk in een cadeauwinkel. Als ik met Eva over straat loop, glim ik van trots. Over onze ouders praten we zelden. We willen niet met hen geassocieerd worden. Samen hebben we besloten geen aangifte meer te doen. Het zou alleen maar oude wonden openrijten. Mijn moeder zit inmiddels in een rolstoel en woont nog altijd samen met mijn vader in dezelfde flat. Vroeger haatte ik hen. Ik wilde nooit, nóóit worden zoals zij. Dankzij therapie heb ik de woede leren omzetten. Ik kan weer voelen, liefhebben en plezier maken. En vergeet niet: onbedoeld hebben mijn ouders met hun zieke gedrag iets heel moois teweegbracht: de hereniging met mijn zus.’

Het Münchhausen by Proxy

Het syndroom werd voor voor het eerst beschreven in 1977 door de Engelse kinderarts en hoogleraar Roy Meadow en wordt ook wel Medical Child Abuse genoemd of Paediatric Condition Falsification (PCF). Het is een zeer ernstige vorm van kindermishandeling waarbij (vaak) de moeder haar kind mishandelt. De dader verzint, verergert of veroorzaakt een psychische, sociale of lichamelijke afwijking/ziekte bij een slachtoffer, om zo zelf aandacht te krijgen van medisch personeel. Soms pleegt een verzorgster of oma deze daden, echter zelden de vader. Helaas lijden veel kinderen onder deze verborgen vorm van kindermishandeling. stompb.nl

Nina Blom (pseudoniem) schreef een boek, Je bent een verschrikkelijk kind. Je kunt het boek hier online bestellen.