Niet prikken!

geen

Ik zou best een keer bloed willen geven, al was het maar om uit te vogelen welke bloedgroep ik eigenlijk heb. Ik ben alleen zo verdomde bang voor naalden.

‘Bloedverwanten gezocht,’ laat de poster van de bloedbank me weten. Kan ik nu zelfs niet rustig een paar baantjes gaan trekken in het plaatselijke zwembad zonder meteen een schuldgevoel te krijgen? Het is míjn eigen bloed, denk ik opstandig. Ik heb het zelf gemaakt. Ik heb het zelf trouwens ook nódig.

Anderen helpen
Natuurlijk houdt dit koppige zelfverdedigingsmechanisme niet lang stand. Ik wil namelijk echt graag een keer bloed geven. Het lijkt me geweldig om andere mensen te helpen met iets waar ik zelf niet eens moeite voor heb gedaan, behalve genoeg eten en mijn lichaam laten doen waar het goed in is (en dit keer heb ik het eens niet over scheten laten). Als ik in het ziekenhuis terecht zou komen, zou ik het ook best prettig vinden als er genoeg bloed voorhanden was om me te helpen.

Rijp voor een dwangbuis
Het enige probleem is, zoals ik net al zei, mijn angst voor naalden. Als ik mezelf per ongeluk snijd tijdens het scheren van mijn benen lach ik erom, maar zodra ik een naald zie begint er in mijn achterhoofd een alarm te loeien. Op tv zap ik snel verder en huiver ik alsof ik nagels over een schoolbord hoor krassen, maar in het echte leven kan ik er niet zo gemakkelijk omheen. Al probeer ik wel alles wat binnen mijn macht ligt om contact met naalden te vermijden. Zo onderging ik een paar jaar geleden een wortelkanaalbehandeling zonder verdoving, omdat het risico bestond dat ik anders brabbelend in een dwangbuis afgevoerd moest worden. Mazzeltje voor mij: de kies was al dood.

Onbewust bang?
Ik voel me hierin gesteund door Lau, want hij heeft het ook niet zo op naalden in zijn arm. Alleen is het bij hem een onbewuste afkeer. Hij neemt zonder problemen bloed af bij mensen, maar zodra hij zelf geprikt moet worden is het een ander verhaal. Hij raakt niet in paniek, gaat niet gillen en smeekt niet om afleiding, maar hij valt wel flauw.
‘Vind je het eng?’ vroeg ik nadat hij getest was op Pfeiffer en de verpleegkundige de stuipen op het lijf had gejaagd door geheel onaangekondigd tegen de vlakte te gaan.
Lau schudde zijn (nog altijd een beetje bleke) hoofd. ‘Helemaal niet. Ik kan ernaar kijken, ik kan andere mensen prikken, allemaal geen probleem. Het is alleen alsof mijn lijf het niet trekt als ik zelf geprikt word.’

Niet huilen, Lis, het doet maar even pijn
Ik heb het omgekeerde. De laatste keer dat de dokter een buisje bloed van me nodig had, moest mijn moeder me afleiden met rare dansjes en flauwe moppen om te voorkomen dat ik me huilend en gillend uit de voeten zou maken. En voordat je het gaat vragen: ik was zeventien. Groot genoeg, zou je zeggen. Inmiddels ben ik vierentwintig jaar, maar ik kan je verzekeren dat ik nog steeds het liefst snotterend ineen wil zakken als er zo’n huidperforerend bloedzuigapparaat in de buurt komt.

Koekje erbij?
Tijd om mezelf eens een schop onder mijn kont te geven. Vierentwintig is te oud voor een naaldenfobie, Lis. Bovendien wil ik me ook wel eens een stoere weldoener voelen. Ik wil mensen helpen met mijn bloed. En ik wil verdorie weten wat mijn bloedgroep is. Daarom heb ik een afspraak gemaakt bij de bloedbank. Met knikkende knietjes en een trillende stem, dat wel. Een vriendin die regelmatig bloed geeft zegt dat het euforische superheldengevoel na afloop direct het ongemak uitwist dat je voelt terwijl je wordt leeggetapt.
En dat ze hele lekkere koekjes hebben.