Sara heeft een extreem kort lontje: ‘Mijn woede overspoelt me als een tsunami, en ik kan er niks aan doen’

soda methode stress boos

O wee als je haar te lang laat wachten in een restaurant, of verkeerd naar haar kijkt. Sara (26) heeft, zoals ze het noemen, een kort lontje. ‘Het is alsof ik vanuit een soort helikopterview naar mezelf kijk terwijl ik volledig flip.’

Tekst: Vivienne Groenewoud | Beeld: iStock

‘Ik was zeven jaar oud toen ik van mijn ouders naar een kinderpsycholoog moest voor mijn woedeaanvallen. Van haar kreeg ik een werkblad mee, met een stuk of tien gezichtjes. Het eerste keek blij, het tweede neutraal en zo 
ging het verder tot het laatste gezichtje, dat heel erg boos keek. Ik moest het gezichtje aankruisen waar ik mezelf het meest in herkende als ik echt heel boos was. Ik aarzelde, kruiste het laatste gezicht aan, maar ik voelde me niet tevreden. Er ontbrak nog wat. Ik pakte een rood en een oranje kleurpotlood en tekende een stel vlammen boven het laatste hoofdje. Met zwart maakte ik 
de wenkbrauwen dikker en donkerder, maar nog steeds was ik niet tevreden. Toen voelde ik mezelf boos worden. Het laatste wat ik weet, is dat het rood voor mijn ogen werd. Toen ik ‘wakker’ werd uit mijn aanval, lagen de gezichtjes in duizend stukjes versnipperd door de kamer.
Al sinds ik me kan herinneren heb ik geregeld black-outs van woede. Het is niet zo dat ik letterlijk mijn bewustzijn verlies, maar ik raak wel volledig de controle kwijt. Het is alsof ik vanuit een soort helikopterview naar mezelf kijk terwijl ik volledig flip. Ik kan er niets aan doen. Natuurlijk probeer ik mijn emoties te bedwingen, sinds ik weet hoe extreem mijn woedeaanvallen zijn, maar het lukt me niet. Mijn woede overspoelt me als een tsunami en als het eenmaal zover is gekomen, heeft 
me verzetten geen zin meer.’

Vechten in de kleuterschool

‘Mijn ouders merkten al vroeg dat ik anders was dan andere kinderen. Natuurlijk heeft ieder kind weleens een driftbui, maar die komen voornamelijk voort uit frustratie doordat ze zich nog niet goed kunnen uitdrukken. Ik 
sprak op mijn vierde al in volzinnen, maar zelfs toen en gedurende mijn schooltijd had ik een extreem kort lontje. Ik kan me nog een kringgesprek op de kleuterschool herinneren. Een jongetje dat tegenover me in de kring zat, keek ‘verkeerd’ naar me, terwijl ik iets aan het vertellen was. Ik pakte het stoeltje waar ik op zat, zwiepte het in een snelle beweging boven mijn hoofd en gooide het naar hem toe, wat hem een gat in zijn hoofd en mij de bijnaam ‘De blonde Hulk’ opleverde. Weliswaar was ik een hulk met een roze tule rokje en twee schattige vlechtjes, maar toch.
Daarna kwam mijn Roodkapje-fase. Ik was een jaar of zes en weigerde ook maar iets anders te dragen dan een door mijn oma in elkaar geflanst rood manteltje met capuchon. Omdat ik er schattig uitzag, werd ik op straat en in winkels vaak aangesproken. ‘Hoe heet je, meisje?’ vroeg een oud dametje een keer in de drogist. ‘Roodkapje,’ zei ik. Het omaatje lachte en zei: ‘Nee, dat kan niet. Jij heet vast niet echt Roodkapje,’ waarop ik reageerde door haar keihard tegen haar schenen te schoppen en te krijsend ‘IK HEET WEL ROODKAPJE!’ Mijn moeder, die bij een ander schap stond, kwam aangerend en moest me al schoppend en gillend de winkel uit slepen, terwijl ik haar ondertussen nog bijna een blauw oog sloeg. Dat was het moment dat mijn ouders besloten me naar therapie te sturen. Dat heeft wel iets geholpen, maar om nu te zeggen dat mijn woede-probleem is opgelost? Nee.’

Medicijnen? 
Nee dank je

‘Vreemd genoeg was ik thuis meestal wel gewoon aanspreekbaar, maar ik denk dat dat ook komt doordat ik enig kind ben en er thuis dus weinig conflictmateriaal voorhanden was. 
Mijn ouders waren ook nogal van het harmoniemodel, dus als het stoom uit mijn oren dreigde te komen, hadden 
ze vaak al toegegeven. Misschien 
vanuit pedagogisch oogpunt niet de beste keuze, maar wel met de beste bedoelingen. Ergens snap ik het ook wel: ze hadden een eigen zaak waarvoor ze zich drie slagen in de rondte werkten. Dan heb je geen zin om thuis ook nog eens strijd te voeren over van alles en nog wat. Bij geweld trokken ze wel een grens. Op de middelbare school heb ik een keer een meisje neergeslagen met de bezem van de conciërge, omdat ze me een slet noemde nadat ik met haar vriendje had gezoend. Toen ze op de grond lag, maakte ik het ‘af’ door te dreigen haar ‘aan de straat vast te spijkeren’ als ze nog een keer verkeerd naar me keek. Natuurlijk moesten mijn ouders weer op school komen en maakten ze zich zorgen over waar ik zulke teksten 
vandaan haalde. Om eerlijk te zijn weet ik dat zelf ook 
nog steeds niet. Het is bijna of iemand anders het in mijn hoofd overneemt en het gewoon mijn mond uit rolt.
Mijn therapeut heeft ooit voorgesteld om me op medicatie te zetten die zouden helpen bij woedeaanvallen. Maar hoewel ik het heb overwogen, hebben de bijwerkingen me doen besluiten om dat niet te doen. Ik zou waarschijnlijk kilo’s aankomen en er suf van kunnen worden, en dat zie ik echt niet zitten. Ook niet met het oog op mijn werk. Ik ben DTP’er en moet het echt van mijn creativiteit hebben. Godzijdank werk ik alleen en vanuit huis, want ik zie mezelf niet functioneren in een baan met collega’s. Soms gaat het een tijdje iets beter. Ik heb gemerkt dat wanneer ik heel veel sport, ik mijn woede beter kan kanaliseren. Maar zodra ik wat minder tijd heb om te sporten, ben ik net een snelkookpan. Ik heb trouwens ook meditatie geprobeerd, omdat me dat werd aangeraden door mijn therapeut, maar daar word ik alleen maar nog kwaaier van. Als ik nu voel dat ik boos word, probeer ik op mijn adem-
haling te focussen en ga ik zo snel mogelijk weg uit de situatie die me triggert. Maar ja, dat lukt niet altijd. En dat is het moment waarop ik dingen ga zeggen en doen die ik niet wil.’

Het hele artikel lees je in de VIVA Real Life Special: de 7 hoofdzonden.  Deze editie ligt nu in de winkel of kun je hieronder online bestellen.

»BESTEL VIVA ONLINE | KLIK HIER «