Yvette kreeg stemmen in haar hoofd

Het begon als kind met een onzichtbaar vriendinnetje, maar in de puberteit kreeg Yvette (24) stemmen in haar hoofd. Diagnose: borderline.

Redactie: Fleur Meijer | Tekst: Emmy van Driel

“‘Doe haar wat aan. Sla haar. Sla haar keihard in haar gezicht. Ze verdient het,’ zei de stem in mijn hoofd. Ik wist dat ik het niet moest doen. Ik wilde mijn moeder niet echt slaan. Ik was boos, dat wel. Toch wilde ik haar niets aandoen. Of pijn doen. Nee, ík niet. Maar de stem in mijn hoofd wel. Iedereen hoort weleens een stemmetje in z’n hoofd. Dat noemen we vaak ‘ons geweten’. Iemand die op dieet is, maar een koekje pakt, zal een stem in haar hoofd horen zeggen: ‘Doe het niet.’ Daar is niets mis mee. Maar de stemmen in mijn hoofd leken echte personen, individuen die minstens zo sterk en aanwezig waren als ikzelf.

Als kind had ik lang een fictief vriendinnetje met wie ik speelde. Ik was jong en zo’n verzinsel leek niet gek. In mijn tienerjaren had ik geen verzonnen vriendinnetje meer, maar zaten er stemmen in mijn hoofd die me dingen opdroegen. Ik was zestien, mijn ouders gingen scheiden en ik zat ertussenin. Iedereen wilde iets van me, trok aan me, praatte op me in. Ik werd er letterlijk gek van. ‘Je vader heeft ons in de steek gelaten, hij geeft niet meer om ons,’ was een zin die ik vaak in mijn hoofd hoorde. Ook moest ik in korte tijd veel belangrijke beslissingen nemen. Bij wie wil je wonen? Waar wil je naar school gaan? Ik kreeg adviezen van mijn ouders, tante, broers, zussen, vrienden. Allemaal zeiden ze iets anders. Ik kon daardoor niet goed meer nadenken. Ik denk dat dit het bestaan van die stemmen getriggerd heeft.

Ik heb mijn hele leven last gehad van ups en downs, maar tijdens de puberteit werd het erger. Vaak was ik een aantal weken heel gelukkig. Ik denk gelukkiger dan de gemiddelde mens, al weet ik dat natuurlijk niet zeker. In zo’n periode had ik het gevoel dat ik de hele wereld aankon. Maar die periodes werden afgewisseld met weken waarin ik het niet zag zitten. Het was alsof de gelukkige tijd me had leeggezogen. Door de scheiding van mijn ouders namen de ongelukkige momenten het steeds vaker over van de gelukkige. Ik voelde me al een week of vijf depressief en zat naast mijn moeder op de bank tv te kijken. Ik was chagrijnig en ongeïnteresseerd aan het zappen, toen mijn moeder voor de zoveelste keer over mijn vader begon. ‘Ik wou dat ze eens haar bek hield,’ zei iets in mijn hoofd. Dit was niet het gewone gewetenstemmetje. Deze stem was hard, had een rauw randje en klonk totaal anders dan mijn eigen stem. Ik wist dat hij in mijn hoofd zat. Ik besteedde er verder geen aandacht aan. Dus ik hoorde een stem, wat is daar nou gek aan? Al snel hoorde ik nog een stem. Twee stemmen, daar bleef het bij. De ene stem was bozig en agressief, de andere klonk verdrietig. Ik vond het doodnormaal. Ik beschouwde ze als mensen, niet als onderdelen van mezelf. Ik gaf ze geen namen, maar beeldde me wel in dat ze een gezicht hadden. De boze stem was jongensachtig en keek kwaad. De tweede stem vond ik meer lijken op een vrouw. Het gezicht had blauwe ogen, net als ik, die altijd treurig stonden.

De stemmen waren er vaker niet dan wel. Ik hoorde ze bijvoorbeeld niet als ik alledaagse dingen deed. Ze kwamen alleen wanneer ik boos of verdrietig was of als ik een zware beslissing moest nemen. Op die momenten was ik aan het malen. Er ging van alles door mijn hoofd. Zeker als ik in bed lag en probeerde te slapen was het erg. Waar de meeste mensen dan een soort innerlijke discussie met zichzelf gaan voeren, kwamen bij mij de stemmen tevoorschijn en voerde ik gesprekken met hen. Zo heb ik veel innerlijke discussies gevoerd over wie er schuldig was aan de scheiding. ‘Je vader ging vreemd. Die wilde iemand anders,’ zei de verdrietige stem dan. Waarop de kwade stem meteen riep dat ik het mijn vader niet kwalijk kon nemen met zo’n vrouw als mijn moeder. Het was soms als in een cartoon waarbij een duiveltje op de ene schouder zit en een engel op de andere. De kwade stem won vaak de gesprekken, naar hem luisterde ik het meest. Zo trok ik bij mijn vader in, omdat de kwade stem dat wilde. Maar de gesprekken gingen niet altijd over de scheiding of mijn ouders. Ook over mezelf heb ik veel gepraat. Discussies over de kleur van mijn haar, wie ik wilde worden, wat er moest veranderen: het werd allemaal besproken in mijn hoofd. Ik kon de stemmen niet negeren, ze bleven maar ratelen. Ik sliep slecht. Het was te druk in mijn hoofd.

In de eerste instantie viel het niemand op dat ik naast mijn eigen stem nog twee stemmen hoorde. De gesprekken voerde ik namelijk niet hardop. Maar na een poosje merkten mijn ouders en leraren dat ik stiller werd, me niet goed kon herinneren wat er gezegd werd en vaak afwezig was. Door die stemmen was ik meer gefocust op wat er zich in mijn hoofd afspeelde dan daarbuiten, waardoor ik voor de buitenwereld haast afgesloten leek. Ik werd doorgestuurd naar de schoolpsycholoog. Aan haar vertelde ik meteen van mijn stemmen. Ik schaamde me er niet voor.

Ergens wist ik wel dat het niet normaal was, maar voor mij was het doodgewoon. Ze begreep direct wat ik bedoelde, maar helpen kon ze me niet. Ik werd doorverwezen naar GGZ-Jeugdzorg en daar werd vastgesteld dat ik borderline heb. Iemand met borderline heeft vaak last van stemmingswisselingen of depressies, is extreem onzeker en kan psychotische verschijnselen hebben, zoals het horen van stemmen. Er werd me meteen een heleboel duidelijk. Dat ik nu eindelijk wist waardoor het kwam, stelde me gerust: ik was niet gek. Maar die erkenning zorgde er niet voor dat de stemmen verdwenen. Nog steeds kon ik geen leuk, rustig leiden. Ik kreeg slaappillen en medicijnen tegen depressies. Ook moest ik in therapie. Ik heb in totaal drie jaar bij GGZ-Jeugdzorg gezeten. Met mijn psychiater praatte ik over de stemmen in mijn hoofd. Tijdens de sessies moest ik voor een spiegel gaan staan en een verhaal vertellen. Dan zag ik mezelf hardop praten. Alleen als ik iets zei, bewoog mijn mond, als de twee andere stemmen in mijn hoofd iets zeiden niet. Door deze oefening, maar ook door de gesprekken met de psychiater en de medicijnen die ik kreeg, kon ik beter met de stemmen omgaan. Ze verdwenen niet helemaal, maar ik leerde ze te negeren. En ik leerde onderscheid te maken tussen de echte stemmen en de fictieve stemmen.

Inmiddels ben ik een paar jaar verder. Dankzij therapie ben ik meer in evenwicht. Ik ben niet erg depressief meer en het belangrijkste: ik hoor geen stemmen meer. Eerst hoorde ik ze minder, toen hoorde ik ze zachter en langzaam maar zeker verdwenen ze naar de achtergrond. Daar ben ik ontzettend blij om. Ik praat weer veel, voer hardop gesprekken, heb een lieve vriend en werk aan een goede band met mijn familie. Ik sta niet meer onder behandeling van de GGZ en slik ook geen medicijnen meer. De stemmen kunnen terugkomen: ik heb nou eenmaal borderline en daar kom je niet vanaf.”