Melissa kreeg de tamponziekte: ‘Vast een griepje’

tamponziekte

Als Melissa (23) naar de dokter had geluisterd, was ze er nu niet meer geweest. Haar ‘griepje’ bleek een zeldzame bacteriële infectie, die via een tampon haar lichaam was binnengedrongen.

Tekst: Natascha Frensch

“Als ik ongesteld ben, is mijn weerstand altijd wat minder. Vandaar dat ik het die dag niet vreemd vond dat ik me zo moe voelde. Ik ging zoals gewoonlijk naar mijn stage op een kinderdagcentrum, waar ik activiteiten begeleidde. Tijdens het maken van de lunch werd ik overvallen door hoofdpijn en voelden mijn spieren ineens loom aan. Ik nam een paracetamolletje en dacht: stel je niet aan, gewoon doorgaan – ik ben niet het type dat snel opgeeft. Maar een uur later had ik zo’n heftig kloppend gevoel in mijn hoofd dat ik mijn collega’s wel móest inlichten. Ik zei dat ik me niet zo goed voelde, maar ik wilde niet naar huis. Een paar uurtjes kon ik heus nog wel volhouden. In een leeg lokaal heb ik wat computerwerk gedaan totdat het vier uur was.”

Onmenselijke tocht

“De hoofdpijn werd alleen maar erger. Eenmaal in de bus terug begon ik duizelig te worden. Al snel lukte het me niet meer om rechtop te zitten. Het enige wat ik wilde, was in bed liggen. Als een zombie liep ik over straat naar mijn ouderlijk huis, waar ik toen nog woonde. ‘Wat zie jij eruit!’ zei mijn moeder toen ze mijn bleke gezicht zag. Ik bracht twee woorden uit en liet me op de bank vallen. Terwijl mijn zusje en vader thuiskwamen, sliep ik aan één stuk door. Bij het avondeten kon ik nog net twee plakken ontbijtkoek naar binnen werken. Uitgeput strompelde ik de trap op naar bed, waar ik verder sliep totdat ik moest overgeven. De volgende ochtend werd ik wakker met het gevoel dat iemand een scheermes over mijn tong had gehaald en er honderd sneetjes in zaten. Zelfs vla eten deed pijn. Daarna kreeg ik diarree. De badkamer was naast mijn kamer, het waren praktisch twee stappen, maar het voelde als een onmenselijke tocht. Er dansten allemaal zwarte vlekken voor m’n ogen en het lukte me met moeite om mijn tampon te verwisselen.”

‘Vast een griepje’

“Die avond kwam mijn moeder voor de zoveelste keer checken hoe het met me ging. Ik bleek veertig graden koorts te hebben, mijn hele lichaam zat onder de rode vlekken. Ik klaagde dat het zo warm was, maar enkele minuten later lag ik te bibberen van de kou. Ze belde meteen de huisartsenpost: ‘Als haar tong nog meer pijn gaat doen, kan ze langskomen. Maar het is vast een griepje. Die rode vlekken kunnen koortsuitslag zijn,’ kregen we te horen. Ik wilde niet alleen voor mijn tong naar de dokter, dan voelde ik me zo’n aansteller. Ik keek het nog even aan. Griep heerste immers, ik had vast een heftige variant te pakken. Maar het werd nog erger. Op de derde dag kon ik me in bed niet meer omdraaien zonder dat ik lag te hijgen en alles zwart werd voor m’n ogen. Echt angstig was ik niet: mijn emoties leken uitgeschakeld. Het enige wat ik dacht, was: haal dit gevoel weg, zorg ervoor dat het overgaat. Weer belde mijn moeder de huisartsenpost. ‘Wacht het maar af tot vrijdag,’ zei de assistent. Maar ik kan me niet eens omdraaien! gilde ik in mezelf, terwijl mijn ogen alweer dichtvielen. Mijn ouders zagen aan me dat het heel erg mis was: dit kón geen normaal griepje zijn. De huisarts besloot uiteindelijk toch te komen. Ik moest m’n tong naar haar uitsteken. Toen ik dat deed, was de schrik van haar gezicht af te lezen: ze had nog nooit iemand gezien die zó uitgedroogd was. Ik moest meteen naar de spoedeisende hulp. Mijn familie pakte wat kleren in, voor het geval ik een nachtje moest blijven. Om beneden te komen, liep mijn vader voor me op de trap zodat ik op zijn schouders kon steunen, met m’n zusje achter me. Ik dacht dat ze me achterna zat, dat ik moest rennen. Ik viel flauw. Nog half van de wereld werd ik leunend op mijn vaders schouder op de achterbank gelegd.”

Nerveuze artsen

“Bij aankomst in het ziekenhuis hielpen mijn ouders me in een rolstoel, maar zelfs dat was te veel. ‘Ik kan echt niet meer!’ schreeuwde ik. Zitten zorgde er al voor dat ik weer bijna flauwviel. Ik hoorde iemand om hulp roepen, waarna mensen me meteen een crashroom in reden. Bij de meting bleek mijn bloeddruk 68 om 38 te zijn. De huisarts was haar meter vergeten, daardoor had ze ‘slechts’ geconstateerd dat ik was uitgedroogd. In werkelijkheid bleken mijn nieren en lever niet meer te werken. Ik kreeg een infuus met vier zakken vocht. Om de vloeistof sneller in mijn lichaam te krijgen, werd er een handpomp bevestigd waar de verpleegkundigen gehaast in knepen. Intussen stonden er vijftien mensen rond mijn bed. De helft van wat iedereen zei, kreeg ik niet mee. Ik liet alles maar gebeuren, ondanks mijn doodsangst voor naalden. Vragen gingen langs me heen. ‘Ben je in het buitenland geweest?’ ‘Ben je ongesteld?’ Bij de laatste vraag knikte ik. Iemand voelde met z’n hand in mijn vagina om te kijken of er een tampon in zat. Op de raarste plekken werden  monsters afgenomen met wattenstaafjes. Ik merkte dat de artsen steeds nerveuzer werden. Toen het de hoofdarts maar niet lukte om een derde infuus in te brengen en hij me zenuwachtig aankeek, werd ik voor het eerst bang. Wat was er aan de hand? Mijn familie werd naar binnen geroepen. De arts vertelde dat het ernstig was, maar de oorzaak onbekend. Als ik een halfuur later was gekomen, zei hij, zou ik in shock zijn geraakt en was ik dood geweest. Maar wat me mankeerde, werd niet duidelijk. De testuitslagen zouden misschien meer duidelijkheid geven, maar die lieten lang op zich wachten. Er moest nog meer bloed worden geprikt en er werden nieuwe kweekjes afgenomen. Of ik het zou redden, konden ze niet zeggen. Ik lag als een slappe pop op bed. Wat de arts had gezegd, drong niet tot me door. Bij mijn ouders, zusje en vriend, die inmiddels ook was gearriveerd, stroomden de tranen over de wangen. Het enige wat ik zelf dacht, was: ik lig hier nu toch? Ik ben veilig, hou alsjeblieft op met huilen.”

Op de IC

“Daarna werd alles wazig. Artsen gebruikten alle antibiotica die op dat moment voorhanden waren om mijn situatie stabiel te houden. Inmiddels lag ik op de intensive care. Ik voelde dat iemand mijn billen omhoog duwde en er een bak onder schoof, waarin ik mijn behoefte deed. De mannelijke verpleegkundige veegde me af. Ik schaamde me niet eens, zo weinig kreeg ik mee. Totdat iemand een sonde in mijn keel duwde: smekend en gillend probeerde ik ervoor te zorgen dat ze de slang eruit haalden. Doordat ik vocht toegediend kreeg, begonnen mijn organen weer te werken. Ik was stabiel, maar het was nog steeds niet duidelijk wat ik had. De wanhoop groeide bij mijn familie. Mijn broer zat in het buitenland. Mijn moeder hield hem op de hoogte via e-mails. Naderhand heb ik daarin kunnen lezen hoe erg het voor hen was. ‘Melissa heeft bloedvergiftiging, veroorzaakt door een bacterie. Ze weten niet waar het vandaan komt. Misschien komen ze er nooit achter. De arts noemde wel twaalf mogelijke oorzaken. Nu maar bidden dat ze beter mag worden.’ Pas na drie dagen kwamen de artsen erachter dat ik de tamponziekte had, ook bekend als het ‘toxic shock syndrome’. Door tampons te dragen, had zich vanbinnen vaginaal vocht opgehoopt waarin de giftige bacterie Staphylococcus aureus zich had vermenigvuldigd. Die was in mijn bloedbaan terechtgekomen. Het komt zeer weinig voor en wordt vaak verward met griep, terwijl de ziekte zonder behandeling al snel fataal is, omdat je organen een voor een uitvallen. In het ziekenhuis waar ik lag, hadden ze de ziekte nog maar zelden gezien.”

Dokter op de stoep

“Gelukkig sloegen de nieuwe antibiotica snel aan. Toen ik weer voor het eerst zelf onder de douche mocht, heb ik keihard staan janken. Langzaam kwam het besef dat ik er niet meer had kunnen zijn. Na tien dagen in het ziekenhuis te hebben gelegen, mocht ik naar huis. De antibiotica hadden ervoor gezorgd dat de bacterie verdwenen was. Mijn omgeving was nog nauwelijks van de schrik bekomen: het was allemaal zo snel gegaan. In drie dagen had ik dood kunnen zijn. Artsen weten niet of ik nu gevoeliger ben om het nog een keer te krijgen. En waarom kreeg ik het precies díe keer? Ook daar hebben ze geen antwoord op. Er is weinig over bekend. Mijn boosheid over dat ik bijna te laat geholpen was, ebde langzaam weg en maakte plaats voor het blije gevoel dat ik weer beter was. In het begin behandelde iedereen me als een prinsesje en werd ik in de gaten gehouden. Zelfs op stage: begeleiders hamerden erop dat ik het écht moest aangeven als het niet meer ging. Op een gegeven moment was ik alleen thuis en ging de bel. Er stond een vrouw voor de deur. ‘Ik weet wie je bent,’ zei ze nadat ik me voorstelde. Ze bleek de arts van de huisartsenpost te zijn. Blijkbaar was ik destijds al zo ver heen dat ik me haar gezicht niet meer kan herinneren. Ze kwam zich verontschuldigen voor haar handelen, voor de manier waarop ze tijdens dat huisbezoek met me was omgegaan. Ik was er blij mee. Mede daardoor heb ik het écht achter me kunnen laten. Wel hoop ik dat artsen en verpleegkundigen in het vervolg behoedzamer zijn als het gaat om griepverschijnselen.”

Brave gebruiker

“Sinds mijn ziekenhuisnachtmerrie hou ik me braaf aan de maximale vier uur dat je een tampon mag inhouden en gebruik ik ze niet meer ’s nachts. De eerste keer dat ik weer ongesteld werd, was vooral mijn moeder als de dood dat ik opnieuw ziek zou worden. Maar dat gebeurde gelukkig niet. De ziekte heeft wel voor een ommekeer gezorgd: ik leefde vaak volgens een langetermijnplanning, nu meer van dag tot dag. Kleine dingen ben ik meer gaan waarderen. Ik maak me minder druk. Sta erbij stil dat alles van de ene op de andere dag door kan gaan zonder mij. En als ik me weer zo ziek zou voelen, zou ik sneller aan de bel trekken.”

Bloedlink

De tamponziekte (oftewel: toxic shock syndrome) is een zeldzame, ernstige infectie die wordt veroorzaakt door de bacterie Staphylococcus aureus. Deze komt voor op de huid rond de schaamstreek, in de neus en de oksels. Hij wordt pas gevaarlijk als ie de kans krijgt zich te vermenigvuldigen en in de bloedbaan terechtkomt. De infectie uit zich als griep (met hoge koorts, diarree en huiduitslag) en heeft soms een dodelijke afloop omdat de artsen er te laat bij zijn. Om de kans op de ziekte te verkleinen, kun je een paar dingen doen: géén superabsorberende tampons gebruiken, om de vier uur een nieuwe tampon indoen (bij hevige menstruatie om de twee of drie uur) en af en toe afwisselen met maandverband. Ook belangrijk: altijd goed je handen wassen. Word je ziek tijdens de menstruatie, haal je tampon er dan meteen uit en ga op tijd naar de huisarts als de symptomen aanhouden.