Doodse stilte #13: ‘Ik word half wakker en ben gedesoriënteerd. Waar ben ik?’

Iedere week kun je op VIVA.nl een hoofdstuk lezen uit het ontroerende boek Doodse stilte van Saskia Idema. Ben je klaar voor een nieuw hoofdstuk…?

Leon en ik blijven nog even zo samen staan en besluiten dan al vrij snel dat het voor ons ook bedtijd is. De hectische reis heeft zijn tol geëist. Mijn oogleden voelen wat zwaar aan en ik kan een gaap niet onderdrukken.
Ik zoek in mijn toilettas naar mijn tandenborstel, maar negeer mijn make-up remover. Ik heb geen zin om mijn make-up eraf te halen. Dat komt morgenvroeg wel weer.
Op blote voeten loop ik naar de badkamer. De zandkleurige marmeren vloer voelt heerlijk verkoelend onder mijn voeten.
Tijdens het tandenpoetsen bekijk ik mijn lichaam vanaf de zijkant. Het zwarte, satijnen nachthemdje accentueert mijn beginnende buikje en ik wrijf er met mijn vrije hand zachtjes overheen. Na Jasper en Eva mogen we over een paar maanden ons derde kindje verwelkomen. Ik heb altijd al heel graag drie kinderen gewild, maar helaas is het niet altijd even soepel gegaan. Nadat Eva ongeveer anderhalf jaar geleden geboren werd, besloten we al snel om geen anticonceptie meer te gebruiken. Een derde kindje was meer dan welkom en als het ons gegeven was wilden we niet al te veel leeftijdsverschil.
De werkelijkheid ging iets minder rooskleurig. Ik kreeg drie miskramen. Achter elkaar. Keer op keer op keer.
Vrij vroege miskramen waren het, ik was telkens nog maar een week of zes onderweg.
Ik wil er liever niet meer aan denken en druk de gedachte snel weg.
Nu zit er een blijvertje in mijn buik. We hebben de eerste echo’s gehad en alles ziet er perfect uit.
Ik merk dat ik een klein beetje buikkramp krijg, waarschijnlijk van de twijfelachtige melk die ik vanmorgen heb gehad. Shit, had ik hem toch maar weg gegooid.
Ik spoel mijn mond, was nog even snel mijn handen en loop dan terug naar de hotelkamer. Ik glimlach als ik Leon bovenop het bed zie liggen in alleen zijn ondergoed. Hij ligt op zijn rug, met één hand naast zijn hoofd en één hand op zijn buik. Zijn benen liggen weer eens in de kikkerstand, zoals ik dat noem. Leon gaat elke avond in bed liggen, trekt zijn benen dan iets op en laat vervolgens beide benen naar buiten vallen. Het is oprecht geen gezicht en na al die jaren ben ik er nog steeds niet aan gewend. Het blijft grappig. Leon is al in slaap gevallen en ik kruip voorzichtig naast hem. Het matras voelt hemels en zodra ik mijn hoofd op het kussen laat zakken val ik vrijwel direct in een diepe… diepe slaap…

Au.
Jezus.
Dit doet pijn.
Ik word half wakker en ben gedesoriënteerd.
Waar ben ik?
Ik adem diep in en leg mijn hand op mijn buik.
Au. Die melk was echt niet goed meer.
Ik knipper een paar keer met mijn ogen.
Oh ja. De hotelkamer.
Daar ben ik.
Ik moet naar de WC!
Ik probeer rechtop te gaan zitten, maar de kramp zorgt ervoor dat ik snel weer in elkaar krimp en ik slaak een kreet.
Leon draait zich om in zijn slaap, met zijn rug naar me toe. Gelukkig, hij slaapt verder… Ik ga hem hiervoor niet wakker maken.
Ik doe nog een poging om rechtop te gaan zitten. Nu gaat het iets beter en voetje voor voetje schuifel ik naar de wc. Ik doe geen lamp aan in de badkamer en vind op de tast het toilet.
Die focking melk.
Ik trek mijn ondergoed naar beneden en ga snel zitten, maar er komt niks.
De pijn wordt niet minder, eerder erger.
Ik buig iets voorover om de pijn weg te drukken. Ik voel dat ik wat duizelig word en grijp me vast aan de badkuip die bijna aan het toilet grenst.
De kramp zorgt ervoor dat er tranen in mijn ogen springen en ik begin sneller te ademen, bijna te hyperventileren.
Oké, dit doet te veel pijn.
Ik heb hulp nodig.
‘Lé!’ Probeer ik, maar er komt amper geluid uit mijn keel.
Ik adem uit en voel dat mijn hele buik gespannen staat, hij is keihard.
‘Leon!’ Mijn stem klinkt iets harder, maar nog steeds niet hard genoeg.
Ineens heb ik het gevoel dat er onderin mijn buik iets verscheurd wordt en uit reactie laat ik me voorovervallen van de wc. Ik schreeuw het uit als ik op handen en knieën voor de wc terecht kom met een flinke knal.
Dan ineens vliegt de deur open en gaat het licht aan.
‘Esmee! Wat doe je? Wat gebeurt er?’
Ik hoor zijn stem ergens in de verte.
De pijn is te intens en non-stop. Het houdt niet op.
Ik knipper met mijn ogen om te wennen aan het licht en probeer hem aan te kijken.
Was die vloer altijd zo donker van kleur?
‘Esmee! Verdomme! Zeg wat tegen me!’ Leon is inmiddels naast me geknield en pakt met één hand mijn kin vast.
‘Ik ga een ambulance bellen.’ Zijn stem is hard en duidelijk.
‘Nee!’ Wil ik nog roepen.
Ik wil niet naar een dokter. Ik probeer met mijn ogen te volgen hoe hij de badkamer uit rent, op zoek naar een telefoon, maar hij is te snel. Ik zak al vrij snel weer met mijn hoofd voorover. Mijn haar plakt tegen mijn gezicht van de intense hitte en ik til mijn hand op om een vochtige pluk haar weg te halen die voor mijn oog hangt. Net als ik mijn hand omhooghaal schrik ik van de rode gloed op mijn hand. Verdwaasd kijk ik naar mijn hand.
Hoe komt mijn hand zo rood?
Waar komt het vandaan?
Het lukt me om mijn hoofd iets op te tillen en dan zie ik vanaf de deur naar het toilet een spoor van bloed lopen.
Nee.
De realiteit dringt heel erg langzaam tot me door.
Ik heb het gevoel dat ik in een slechte film zit en vanaf een afstandje sta te kijken.
Zo goed en kwaad als ik het kan draai ik nog iets bij.
Ik zie dat ik met één knie in een grote plas met helderrood bloed lig.
Mijn hele lichaam begint te trillen en mijn hoofd begint als een razende te knikken. De spieren in mijn kaak verkrampen. De pijn in mijn onderbuik is te heftig. Het doet te veel pijn.
Nee.
De baby.
Nee!
Op de achtergrond hoor ik Leon iets schreeuwen in het Nederlands en Engels door elkaar. ‘Een ambulance now! My Wife! Bloed! Overal bloed!’
Ik voel dat mijn armen opzij knikken, dat mijn hoofd in slow motion naar beneden zakt, de vloer van de badkamer raakt en dat mijn ogen naar boven weg draaien. Het wordt licht in mijn hoofd en dan…
Dan…
Is alles zwart.

—-

‘Esmee? Hoor je mij?’
Wat?
Wie is dat?
Au mijn hoofd, te veel pijn. Ik zak weg…

‘Schat, ik ben het. Papa. Lieverd, kan je me horen?’
Papa?
Ja! Ik hoor je!
Ik probeer een hand op te tillen, maar het lukt niet. Ik kan me niet bewegen.
Ik voel dat ik weer in slaap glijd.

‘Mama?’
Jasper!
‘Mama ik ga in het vliegtuig met opa! Snel beter worden hoor.’
Wacht.
Wat?
Jasper!
Uit alle macht probeer ik mijn ogen open te doen, iets te zeggen. Het lukt me niet. Ik glijd weer weg, maar ik wil het niet. Nog heel eventjes denk ik dat ik wel een oog open kan doen, maar ik word wederom meegesleept door een allesverslindende golf van vermoeidheid.

‘Ik weet het niet Vera. We weten niet of ze nog wakker wordt.’
Maar ik BEN wakker. Kijk dan naar me. Ik hoor je!

‘Schatje… weet je nog… die avond dat we elkaar hebben ontmoet? Die avond heeft mijn leven veranderd.’
Ja, natuurlijk weet ik dat nog… Ik ben alleen zo moe… zo moe…

Oké. Volgens mij kan ik nu een oog opendoen. Heel voorzichtig doe ik mijn rechteroog een klein beetje open.
De tering.
Wat is die lamp fel.
Kan dat niet wat minder?
Ik doe snel mijn oog weer dicht en wacht eventjes.
Mijn mond is droog en het lijkt of mijn lippen een dag geleden ingesmeerd zijn met behangplaksel.
Voorzichtig doe ik weer een oog open. Ik knipper een paar keer, maar het gaat wel een stuk beter. Langzaam open ik nog een oog.
Ik blijf wakker dit keer, ik val niet in slaap.
Als mijn ogen een beetje gewend zijn aan het licht kijk ik rechtstreeks in de grote boosdoener van het felle apparaat dat het mij zo onwaarschijnlijk moeilijk maakt. 
Een Tl-balk recht boven mijn hoofd.
Hoe kunnen ze het ook verzinnen.
Ik heb echt dorst.
Waar is Leon?
Ik moet echt wat drinken.
Waar ben ik eigenlijk?
Voorzichtig til ik mijn hoofd een beetje op.
Oehhh duizelig….
Rustig Esmee.
Ik laat mijn hoofd weer terugzakken in het kussen.
‘Het maakt me niet uit hoe je erachter komt, als je er maar achter komt. Ik wil verdomme weten welke achterlijke idioot mijn vrouw heeft lopen vergiftigen.’
Oh.
Iemand op de gang is heel erg boos op iemand.
Ik til opnieuw mijn hoofd op. Nu gaat het iets beter en ik kijk om me heen.
Een hoog bed in een witte kamer. De lakens zijn zachtblauw. Het ziet er schoon uit. Een tafeltje naast me met niks erop aan mijn rechterkant en aan mijn linkerkant een comfortabel uitziende stoel met een verkreukelde deken erop. Ik herken een marineblauwe trui van Leon die over de leuning van de stoel hangt.
De kamer oogt kil en niet prettig.
Waar is Leon?
Ik laat mijn hoofd weer achterover zakken. Het is te veel. Ik ben moe… laat me slapen…

Het lijkt alsof ik eeuwen geslapen heb.
Maar nu ben ik voorbereid.
Heel voorzichtig open ik één oog.
Oh, de Tl-balk is uit.
Dat valt alweer mee.
Ik open mijn andere oog en zie dat het donker is in de kamer, maar vanaf de gang komt er nog wat licht waardoor ik genoeg kan zien.
Mijn lippen voelen zo mogelijk nog droger dan de laatste keer dat ik wakker was. Heel voorzichtig til ik mijn hoofd een klein beetje op en kijk naar links.
Tot mijn verbazing zie ik dat Leon de grote stoel heel dicht bij mijn bed geschoven heeft, hij zit voorovergebogen op de stoel, zijn hoofd ligt op het bed. Ik kan zijn gezicht niet zien, hij ligt met zijn gezicht richting het voeteneinde. Ik zie dat hij met zijn rechterhand op mijn hand ligt. Voorzichtig trek ik mijn hand weg en ga er zachtjes mee door zijn haar.
Ik schrik me de pokkepleuris als zijn hoofd in één krachtige beweging omhoog veert en mijn kant op kijkt. Ik schrik van zijn aanblik.
Zijn prachtige blauwe ogen zijn roodomrand en zelfs in het donker zie ik duidelijke donkere wallen. Zijn scherpe kaaklijn wordt bedekt door een baard van meerdere dagen oud. Zijn ogen staan angstig, geschrokken en ik zie zijn lip trillen als zijn ogen de mijne vinden.
Hij springt omhoog en legt zijn hand op mijn wang. Zijn hand trilt enorm en uit reactie leg ik mijn eigen hand bovenop de zijne, terwijl ik hem aan blijf kijken.
‘Es. Je bent wakker.’
Zijn ogen lopen vol met tranen en hij buigt voorover om me een kus op mijn voorhoofd te geven. Van mijn voorhoofd zakt hij kussend naar beneden, over mijn neus naar zijn mond.
Als zijn lippen de mijne vinden voel ik zijn tranen lopen. Hij legt zijn hoofd op mijn borst en huilt met grote halen.
‘Je bent wakker.’
Hij blijft het maar herhalen.
‘Je bent wakker.’
Ik ben overdonderd.
Natuurlijk ben ik wakker.
Wat had je dan verwacht?
‘Ik ga een dokter halen.’ Leon wil weer overeind komen, maar mijn hand houdt hem tegen.
‘Leon, waar ben ik?’
Het is een retorische vraag. Ik weet het antwoord eigenlijk al.
Leon kijkt me verbaasd aan.
‘Lieverd. Je bent in het ziekenhuis.’
Ja.
Ik probeer na te denken, maar mijn hoofd doet pijn.
Dan zie ik een pak melk voor me.
De vliegreis met Jasper en Eva.
Leon en ik samen op het balkon.
De kramp… De manier waarop ik uit bed kruip…
En het bloed.
Nee.
Het bloed.
Mijn vrije hand glijdt naar mijn buik, maar ik weet het diep vanbinnen al.
Ik voel het al.
De tranen komen in mijn ogen en ik lijk Leon aan. Het allerlaatste sprankje hoop verdwijnt uit mijn lichaam als ik zijn blauwe ogen zie. Nog feller blauw door de tranen die zichtbaar zijn en een extra glinstering geven. Ik zie dat zijn onderkaak weer begint te trillen en hij bijt met één tand op zijn onderlip. Dan zucht hij en schudt langzaam zijn hoofd van links naar rechts, terwijl zijn ogen de mijne blijven vasthouden.
Alles in mij begint te schreeuwen en doet me pijn. Mijn hart is zojuist uit mijn borst getrokken en weg gesmeten als een stuk oud vuil.
Niet mijn kindje.
Nee.
Niet hun zusje of broertje.
Nee.
Ik begin te snikken en voel de hoofdpijn direct weer opzetten.
‘Ik weet het schatje. Ik weet het.’
Leon kruipt naast me in het ziekenhuisbed. Hij gaat tegen me aan leggen. Legt zijn armen om mee heen en trekt me dicht tegen zich aan, terwijl we allebei huilen… Samen.
Het is nog te veel.
Ik kan dit nog niet.
In de warme armen van Leon val ik, wederom, in een diepe, onrustige slaap…

Over Saskia Idema

Saskia komt uit Hengelo en is docente, schrijfster en bovenal moeder. Moeder van maar liefst drie kinderen: Niels (2010), Lieke (2012) en Emma (2016). Al van jongs af aan is schrijven haar uitlaatklep voor alle bizarre, mooie en pijnlijke hersenspinsels. Op VIVA kun je iedere week een nieuw hoofdstuk van Doodse stilte lezen. Lees jij liever dit prachtige boek in een keer uit? Je kunt het hier bestellen.

Lees ook de vorige hoofdstukken van Doodse Stilte:

(1) Doodse stilte #1: ”Bent u Esmee de Zwart?’ vraagt de politieagent vriendelijk. Ik knik’
(2) Doodse stilte #2: ‘Alles om me heen lijkt in slow motion te gebeuren’
(3) Doodse stilte #3: ‘Ben ik nou gek of hoor ik een stem?’
(4) Doodse stilte #4: ‘Waarschijnlijk heeft ze aan mijn stem gehoord dat er echt iets aan de hand is’
(5) Doodse stilte #5: ‘Nee, u kunt niemand voor mij bellen. Ik moet gewoon weg’
(6) Doodse stilte#6: ‘Het voelt alsof ik toeschouwer ben van één of andere bizarre theatershow’
(7) Doodse stilte #7: ‘Ik wil het niet horen, maar het kan niet anders’
(8) Doodse stilte #8: ‘Dit is raar. Moet ik nou bedankt zeggen?’
(9)Doodse stilte #9: ‘Ik voel dat mijn handen ijskoud zijn en er gaat een rilling over mijn rug’
(10) Doodse stilte #10: ‘Wat doet het ertoe hoe laat ik gehoord heb dat mijn man dood is?’
(11) Doodse stilte #11: ‘Oh jeetje. Moet ik een kist uitzoeken? Nu?’
(12) Doodse stilte #12: ‘Ik wil er niet over nadenken, het is nu rustig. Laat me genieten…’

Op de hoogte blijven van onze leukste artikelen en winacties? Schrijf je in voor de VIVA-nieuwsbrief.