Het flessenkind

Ik heb het niet langer dan een week volgehouden. Borstvoeding. Wat een hel vond ik dat. De verloskundige noemde mij nog net geen kindermishandelaar. Volgens haar had ik het doodvonnis van mijn kind getekend.

Nog steeds kijken mensen raar op als ik vertel dat ik maar een week borstvoeding heb gegeven. Voor mij is dat zelfs een week te veel geweest. Elke keer als Irem niest of hoest, voel ik beschuldigende blikken. Als dat arme kind op haar vijftiende aan de coke gaat, zwanger raakt of in de gevangenis belandt, zal iedereen naar mij wijzen.

Een week na de bevalling kwam de verloskundige even langs om te kijken hoe het met mij ging. Direct gaf ik aan dat ik wilde stoppen met borstvoeding. “Hoezo? Drinkt ze niet goed? Hapt ze niet goed aan? Heb je tepelkloven?” Nee, nee en nogmaals nee. “Alles gaat goed, maar ik wil het gewoon niet,” antwoordde ik. Een lactatiedeskundige werd me aangeraden. Zelfs een psycholoog, want ik kon maar niet duidelijk maken waarom ik wilde stoppen.

“Borstvoeding is de normaalste zaak van de wereld,” werd voor de zoveelste keer herhaald. Er zijn zélfs vrouwen die het zo graag willen, maar waarbij het niet lukt, daar moest ik maar eens aan denken. En ik wilde toch immers het beste voor mijn kind! “Nou bij mij verloopt de borstvoeding fantastisch, maar ik wil het gewoon niet. Het voelt alsof de wereld aan mij voorbijtrekt terwijl ik op deze manier voed. Ik vind het gewoon gedoe en vervelend,” brulde ik door mijn kraamtranen heen.

Nou dat kun je dus beter niet zeggen. Er volgde een preek over allergieën, over de ontwikkeling van de baby, wat voor enge dingen mijn dochter nu allemaal te wachten stond, mijn plicht als moeder, en nog meer geneuzel waardoor ik mezelf ter plekke het liefst voor mijn kop had geschoten. Ik voelde het hellevuur al om mijn enkels knetteren. Ze hield maar niet op. Het scheelde niet veel of ik had mijn volgelopen koffiepads zoogkompressen in haar mond geduwd.

Een maand later kwam de wijkverpleegkundige langs. Terwijl we een vragenlijst afwerkten gaf ik ondertussen Irem de fles. “Hey, waarom geef je geen borstvoeding, dat is veel beter dan de fles?”, tetterde ze door haar slokken koffie heen. “Tja, ik vind haar eigenlijk niet zo leuk, ik had liever een blonde baby gehad,” had ik, wijzend op Irem, willen zeggen. Ik was er helemaal klaar mee.

Het kraambezoek komt en gaat nog steeds. Een enkeling wil nog wel eens geshockeerd reageren en stelt vast dat Irem een klein mager kippie zal blijven, dat ik ook niet raar op moest kijken als ze allergisch wordt voor de zon, katten, houtsnippers, stofwolken, paneermeel en Hortensia’s.

Inmiddels krijgt Irem al bijna twee maanden flesvoeding en ze leeft nog steeds.