Mirthe (35): ‘Hoe vertel je dat je je doodzieke man wilt verlaten?’

aangeschoten ex

Een man die ziekenhuis in, ziekenhuis uit gaat én een kinderwens: wat doe je dan? Mirthe (35) en haar man Stijn besloten toch voor een kind te gaan. Nu staat Mirthe er alleen voor.

Tekst Anne Broekman | Beeld Shutterstock

‘Toen ik mijn moeder vertelde dat ik graag een kind van Stijn wilde, polste ze voorzichtig of dat wel zo’n goed idee was. Ze was bang dat ik er alleen voor zou komen te staan. Ik was bijna beledigd toen ze dat vroeg. Toch was mijn moeder niet de enige die kritisch was. Ook Stijn zelf vertelde dat hij had getwijfeld om überhaupt een relatie met mij te beginnen. Hij was bang om me verdriet te doen, als de kanker zou terugkomen. Ik begreep daar toen niets van. ‘Ik kies toch voor jou, met alles wat daarbij hoort?’ riep ik. Ik twijfelde totaal niet. Later ben ik daar nog weleens op teruggekomen en snapte ik hun zorgen heel goed. Want al heb ik nergens spijt van, zo makkelijk is het niet, een relatie met een doodzieke man.’

Slecht nieuws

‘Zes jaar geleden ontmoette ik Stijn op de tennisclub. Ik kwam net uit een lange relatie, maar viel als een blok voor hem. Alles wat Stijn deed, deed hij met passie. Koken, tennissen, wandelen, zijn werk, mij liefhebben. Als hij iets wilde, ging hij er vol voor. Dat vond ik aantrekkelijk.
Stijn was ziek geweest. Twee keer had hij acute leukemie gehad. Dat schrok me niet af. Bovendien ging het in die tijd hartstikke goed met hem, de vooruitzichten waren prima. Toen we een half jaar een relatie hadden, kreeg hij alleen nog een beenmergpunctie als laatste, grote controle. Om te checken hoe hoog het percentage ‘foute’ cellen was. De behandelend arts belde Stijn toen hij aan het werk was, en vroeg hem op een rustig plekje te gaan zitten. Slecht nieuws: de leukemie was terug. Het was een klap in ons gezicht. Hier hadden we geen rekening mee gehouden. Ook door Stijns positieve houding: met hem ging het ‘altijd goed’, nooit liet hij zijn zorgen of pijn zien. Daar leidde hij mensen onbewust mee om de tuin, mij ook. We waren overtuigd geweest van een goede uitslag. Van een lange, gezonde toekomst samen.
‘Oké,’ was alles wat ik kon uitbrengen toen Stijn me belde met het verpletterende nieuws. Ik dacht niets, was blanco. Ik huilde niet en schoot meteen in de regelmodus. Ik liet mijn baas weten dat ik voorlopig niet kwam. Stijn werd per direct ziekgemeld en kwam naar huis. In no time zat het huis vol familie. We waren strijdlustig. Stijn moest en zou er bovenop komen.’

‘Vol vertrouwen gaf ik hem het jawoord; we vertikten het om in angst te leven’

Samen strijden

‘Stijn kreeg drie chemo’s, bestralingen en zou later een stamceltransplantatie krijgen als er een donor was gevonden. Heftige behandelingen, waar hij doodziek van werd en zelfs door op de intensive care belandde. Maar hij knapte op en mocht weer naar huis. Kort daarna zijn we getrouwd. Vol vertrouwen gaf ik hem het jawoord; we vertikten het om in angst te leven. Misschien hadden we oogkleppen op, maar met die houding gingen we samen de strijd aan.
Stijn was een grote kerel van ruim honderd kilo, maar hij viel in die tijd ruim dertig kilo af. Hij verloor zijn haar en kon zich moeilijk concentreren. Ook ons seksleven veranderde. Stijn was er niet meer toe in staat om intiem met me te zijn. We lagen in elkaars armen en hielden elkaar vast. Ik had er zelf ook weinig behoefte aan. Hij was aan het vechten en ik vocht mee.
Een week na onze bruiloft kreeg Stijn de stamceltransplantatie. Een riskante ingreep. Toen heb ik wel even gedacht: oei, dit kan heel fout aflopen, dan ben ik meteen weduwe. Maar die angst duwde ik weg. Ik had een plaat voor mijn kop, net als Stijn. Wat dat betreft pasten we perfect bij elkaar.’

Zo normaal mogelijk

‘Na de stamceltransplantatie waren de artsen voorzichtig hoopvol, maar de uitkomst was nog steeds onzeker. Toch wilden Stijn en ik door met ons leven. Een volgende stap zetten, een kind. Ondanks Stijns ziekte wilden we zo normaal mogelijk leven, als ieder ander stel. We hadden over weinig dingen de regie en hadden geen idee hoe het zou aflopen met Stijn, maar wat betreft onze kinderwens hadden we wél inspraak.
Soms hadden we het erover wat Stijns ziekte voor ons kind zou betekenen, maar die gesprekken gingen nooit diep. Daar wilden we allebei niet aan en Stijn was sowieso geen prater. Kop in het zand en doorgaan. Léven. Was dat naïef? Nee. Het heeft ons juist de mogelijkheid gegeven om mooie dingen te beleven. Met mijn zus en moeder had ik het weleens over mijn angsten. Dat ik, mocht het misgaan, in m’n eentje zou komen te zitten met een kind. Maar ik ben opgevoed met het idee: het leven loopt zoals het loopt. Daar heb je niet altijd invloed op, en daarvoor moet je dingen – en zeker grote wensen – niet laten. We gingen ervoor. Ik was niet bang voor de toekomst. Ging het mis, dan zou ik daar op dat moment naar handelen.’

‘De twee streepjes op de test voelden als een overwinning op de kanker. 1-0 voor ons’

Overwinning

‘De artsen durfden weinig te zeggen over de prognose, maar het voelde goed genoeg om dit avontuur aan te gaan. Stijns conditie was nog niet als vanouds en de stamceltransplantatie had hem én zijn sperma verzwakt. Op de natuurlijke manier zwanger raken, zou niet lukken. En dus werd onze zoon verwekt via ICSI. Het eitje werd in het laboratorium bevrucht en teruggeplaatst. Toen ik de twee streepjes op de test zag verschijnen was ik euforisch, net als Stijn. Het voelde als een overwinning op de kanker. 1-0 voor ons.
Dat geluksgevoel was helaas van korte duur. Toen ik dertien weken zwanger was, overleed mijn moeder aan longkanker. Ze was vier maanden ziek geweest. Met zeven weken hadden we haar verteld dat ze oma zou worden en ze was zo gelukkig. Tegelijk was het ontzettend verdrietig, omdat ze mijn zoon nooit zou leren kennen. Ik was kapot van verdriet, maar probeerde juist daarom extra van mijn zwangerschap te genieten. Spulletjes kopen, meubeltjes verven.’

In m’n eentje

‘Een paar weken voor de geboorte van Tom, in de zomer van 2014, ging het ineens slechter met Stijn. Hij zag dubbel, liep steeds moeilijker en moest veel overgeven. Maar typisch Stijn: hij ontkende alles. Ik denk dat hij bang was dat als hij naar het ziekenhuis zou gaan, hij meteen opgenomen zou worden en de geboorte van zijn zoon zou missen. En diep vanbinnen wist ik dat hij gelijk had. Gelukkig was hij bij de geboorte van Tom. Daar ben ik nog steeds zo dankbaar voor. Dat we samen ons kind op de wereld zagen komen.
Vijf dagen na de bevalling belandde Stijn alsnog in het ziekenhuis. Zijn lichaam bleek de nieuwe stamcellen af te stoten en hij had heftige epileptische aanvallen. Je kraamtijd combineren met een doodzieke man; dat is heftig en verdrietig. Stond ik daar met zo’n hummel in mijn armen de koffer van mijn man in te pakken omdat-ie dat zelf niet meer kon. Ik werd boos op de situatie. Zo zou het verdomme niet moeten zijn. We zouden als trotse ouders bezoek moeten ontvangen met beschuit met muisjes. Met luiers en flesjes trok ik in het familiehuis bij het ziekenhuis. Mijn zus hielp zo veel mogelijk en ook de familie van Stijn sprong bij. Maar toch, badjes, voeden: het meeste kwam op mijn schouders terecht. Ik voelde me wanhopig en eenzaam, maar die emoties schakelde ik uit. Anders trok ik het niet.’

Wéér ziek

‘Als je partner zo ziek is, verdwijnen de normale verhoudingen. Ik kwam steeds meer in een verzorgende rol: wondverzorging, helpen met douchen, helpen op het toilet, helpen met aankleden. Onze gesprekken veranderden. We hadden het steeds vaker over de effectiviteit van een bepaald compres, de werking van medicijnen. Ik was de verpleegster, Stijn de patiënt. Ik heb me erop verkeken hoe zwaar dat is. Later las ik het boek Naupaka van Lideweij Bosman, waarin ze beschrijft hoe ze haar vriend met kanker verliet. De eerste zestien hoofdstukken heb ik alleen maar gehuild, zo raakte het me. Zij kreeg bakken stront over zich heen, maar er was eindelijk iemand die hardop durfde te zeggen hoe het is om een relatie te hebben met iemand die zo ziek is. Het zwaarst vond ik het als onze plannen wéér niet door gingen. Dat we oud en nieuw bij vrienden zouden vieren, maar dat Stijn weer eens ziek was. Ik zeg het expres zo, want zo voelde het. Wéér ziek. Terwijl ik heus wel wist dat hij er niets aan kon doen. We hebben beiden weleens gedacht: was het maar over. Dat Stijn uit zijn lijden werd verlost. Dat die strijd voorbij was.
Toen hij na acht maanden in het ziekenhuis en revalidatiecentrum naar huis mocht, zei iedereen: ‘Oh, wat fijn!’ Maar ik wist niet of ik dat wel zo fijn vond. Ik had mijn leven opgepakt met Tom, we hadden onze draai gevonden. En nu kreeg ik er nog meer zorg bij, hoe hard dat ook klinkt.
Soms wilde ik schreeuwen: ‘Ik ben er ook nog!’ Tegen wie durf je te zeggen dat je soms twijfelt of je nog wel bij je zieke vent wil blijven? Opvallend genoeg besprak ik die twijfels met Stijn zelf. Ik had het nodig om van hem te horen dat hij mij liet gaan als ik het echt niet meer zou trekken. Dat beloofde hij. Een getuigenis van ultieme liefde. En juist die toezegging gaf me de kracht om bij hem te blijven.’

‘Ze aten een raketje en keken filmpjes. Dat was de laatste keer’

Eindelijk rust

‘In die tijd kreeg ik steeds sterker het gevoel dat Stijn onze zoon niet volwassen zou zien worden. Hoewel de artsen hem nog behandelden, zag ik dat hij zwakker werd. Ik vroeg hem wat hij wilde dat ik aan Tom zou meegeven, als hij er niet meer zou zijn. Hij gaf geen concreet antwoord, waarmee hij eigenlijk zei: het komt wel goed. We hadden geen zware gesprekken over de dood. We bespraken het boven de macaroni en gingen weer door met de dagelijkse dingen.
Stijns toestand verslechterde inderdaad en hij werd opnieuw opgenomen in het ziekenhuis. Hij zou het niet gaan redden. We waren verslagen, maar er was ook berusting. Eindelijk kreeg Stijn rust. Hij en Tom hebben nog samen een raketje gegeten en filmpjes op zijn telefoon gekeken. Dat was de laatste keer dat Stijn onze zoon bewust heeft meegemaakt. Ik kan alleen maar naar raden naar wat hij op dat moment voelde. Het moet ongelooflijk pijnlijk zijn om te beseffen dat je je kind niet zal zien opgroeien. Negen dagen na zijn opname stierf Stijn thuis, dat was zijn wens. Zijn lichaam was op, hij kon niet meer. Hij was 48 jaar.’

Precies zijn vader

‘Inmiddels sta ik er bijna anderhalf jaar alleen voor. De afgelopen maanden waren zwaar. Ik ben in therapie geweest om mijn weggestopte emoties weer toe te laten. Ik wilde niet als een zombie in die overlevingsmodus blijven hangen, maar écht verdriet voelen. Want dan is er ook ruimte voor geluk en blijdschap.
Ik mis Stijn bij grote dingen. Volgend jaar gaat Tom naar school. Dan had ik zo graag samen op het schoolplein gestaan. Maar ook als ik alleen al naar Tom kijk, mis ik Stijn soms. Dan zie ik precies zijn vader in Tom. Hij ziet álles en is heel alert. Hij wil altijd buiten zijn, net als papa. En hij is eigenwijs en vastberaden, ook een familietrek. Dankzij Tom is Stijn toch iedere dag bij me. Aan een nieuwe relatie ben ik nog lang niet toe. Maar ik weet in mijn hart, ondanks dat we het er niet echt over hebben gehad, dat Stijn mij opnieuw de liefde zou gunnen.
Van mijn keuzes heb ik geen enkele spijt. Hooguit zou ik niet meer zo achteloos hebben gezegd dat ik vanzelfsprekend voor Stijn koos. Onze relatie heeft viereneenhalf jaar geduurd, waarvan er vier in het teken van zijn ziekte hebben gestaan. Maar hoe ellendig en verdrietig het ook is geweest, het heeft me veel gebracht. Mijn mooie zoon. Later zal ik Tom vertellen wat een bijzonder en ruimhartig mens zijn vader was. Hij mag mijn verdriet zien. Soms ziet hij mij huilen en zegt ie: ‘Is niet leuk hè, mama?’ Misschien is het een ongebruikelijk keuze geweest om een gezin te stichten met een man die niet oud zou worden. Maar ik ben blij dat ik me niet door angst heb laten weerhouden.’

Dit artikel is afkomstig uit VIVA Mama 6 – 2017. De editie kan je hieronder online bestellen.

»BESTEL VIVA MAMA ONLINE | KLIK HIER «