Patricia’s column: Griekse stress

“Eigenlijk,” zei Rick, terwijl hij zichzelf een glas Ouzo inschonk, “moet je je rust pakken tussen de voedingen door.” We zaten op het dakterras van ons appartement in Koskinou, een dorpje op Rhodos en het was onze eerste vakantie met baby. Ik mag graag roepen dat ik het niet spannend vind, vliegen met een kindje, maar helemaal zen was ik niet. Stel je voor dat Lóa ging krijsen. De hele vlucht. Maar dat deed ze niet. Wel stootte ik de poedertoren om, waardoor de lege stoel tussen ons in werd besneeuwd met Nutrilon. “Toch zonde van de cocaïne,” riep ik bij het uitstappen in het drukbevolkte gangpad naar Rick, die knikte en jammerde dat het nu wel een heel saaie vakantie zou worden. Eenmaal geland op Griekse bodem wilde mijn moederhart maar één ding: zo snel mogelijk naar het hotel (we moesten een nachtje overbruggen, omdat we pas de volgende dag in ons vakantiehuis terecht konden) zodat Lóa kon bijkomen van de reis. Bij de bagageband stond een roedel vakantiegangers. Kwam dat allemaal uit één vliegtuig? Ik zag hoe een man zijn capribroek afritste en zich tevreden ontdeed van de sokken in zijn sandalen. Intussen kreeg Rick het aan de stok met een dronken Rus en zweette Lóa zichzelf nat in de draagzak. Niet gaan krijsen nu. Niet gaan krijsen. Onze koffers kwamen als laatste – tuurlijk – en twee uur later parkeerden we de huurauto voor het hotel. Dat bleek een all inclusive resort met live entertainment, een lauwwarm buffet, housemuziek en luidruchtige Russen. Lóa vond het allemaal prima en sliep de hele nacht gewoon door de discodreunen heen. Ik lag intussen naar het plafond te staren, hopend dat ze niet wakker zou worden van de herrie. De volgende dag door naar ons vakantiehuis, wat in geen enkel opzicht tegenviel. Behalve de hoofdkussens, want mán wat had ik bij het opstaan pijn in mijn nek. En met een baby begint je vakantiedag al voor zeven uur, dus je kunt maar beter uitgerust zijn. Er zat niets anders op dan terug naar het Russenhotel te gaan, in een auto zo warm als een bakoven met Lóa smeltend in het babyzitje, om te vragen of ik een van hun kussens kon kopen. Maar daar deden ze niet aan. Waarop Rick en ik naar de eerste verdieping sneakten – kind op de arm – om te kijken of we er dan maar eentje onbetaald konden meenemen. Ook dat mislukte. Snel door naar de Carrefour voor boodschappen dan. Nog één uur voordat Lóa de fles moest. Na veel te lang snuffelen – want dat doe je op vakantie in een vreemde supermarkt – lagen we uiteindelijk toch achter op schema en stonden we met een hongerig kind aan de kassa. Lóa hield zich kranig, al was dat vooral dankzij de speen. Op weg naar huis namen we de verkeerde afslag en reden onszelf klem in een steeg waar we alleen uitkwamen met de hulp van een bejaarde Griekse dame. Die avond gingen we – de kinderwagen naast ons, want: we hadden toch vakantie? – uit eten. Ik was meer bezig met het in slaap krijgen van Lóa dan met wat er op mijn bord lag. Toen we ’s avonds uitgeput op het terras aan de Ouzo zaten, sprak Rick de legendarische woorden. “Eigenlijk moet je je rust pakken tussen de voedingen door.” Nou, ik wist het wel zeker.

Patricia van den Broek, adjunct-hoofdredacteur VIVA
patricia@viva.nl
twitter.com/patriciavdbroek