Patricia’s column: Moederversie

Mijn dochter Lóa is nog geen week oud, als ik een sms’je krijg van Kim, een van mijn beste vriendinnen. Kim is zelf geen moeder, maar haar rol als tante neemt ze enthousiast op zich. “Hoi Tries!” tikt ze vrolijk. “Ben je al gewend aan de baby en slaapt ze goed door?” Een jaar geleden had ik waarschijnlijk hetzelfde ge-sms’t aan een pas bevallen moeder. Als kinderloze dertiger zie je ze buiten lopen, die nieuwe mama’s met hun zoet slapende baby’s in de Bugaboo, maar je hebt geen idee wat die vrouwen eigenlijk doormaken. Tot je zelf nieuw leven hebt gebaard. Sinds de bevalling ben ik veranderd in een versie van mezelf die ik niet ken. De moederversie, zeg maar. Mijn ‘onderkantje’, zoals de verplegers dat in het ziekenhuis steeds liefkozend noemden, gloeit nog na van de bevalling en wordt bijeen gehouden door een stuk of vijftien hechtingen. Lopen en zitten kan ik nauwelijks en op mijn arm pruttelt een baby die om de drie uur paniekerig mijn tepel zoekt. Aan mij kleeft een odeur van melk, kots en Rituals, en als ik nies plas ik in mijn broek, omdat mijn bekkenbodemspieren zo slap zijn als het elastiek van een oude onderbroek. Gelukkig zijn daar de dikke maandverbanden uit het kraampakket, tevens handig voor het royale bloedverlies, waardoor ik een kont heb waar Katrien Duck jaloers op kan zijn. Dankzij die hechtingen in mijn ‘onderkantje’ waggel ik er nog bij ook. Mijn hoofd is zo wollig van vermoeidheid dat ik onder de douche per ongeluk alleen mijn rechterbeen en linkeroksel scheer en mijn haren was met crèmespoeling. Ik praat alleen nog maar in verkleinwoordjes (speentje, spuugdoekje, rompertje, billetjes, krampjes, sokjes) en zing minimaal negen keer per dag ‘Op een grote paddenstoel’, omdat dat het enige kinderliedje is dat ik helemaal uit mijn hoofd ken. Heb ik even niets te doen, dan bekijk ik vertederd alle foto’s op mijn iPhone die ik tot nu toe van Lóa heb gemaakt, terwijl ik beter had kunnen googelen op ‘kinderliedjes’ of haar een keer in bad had kunnen doen. Buiten word ik aangesproken door moeders uit mijn straat, met wie ik ineens een solidariteit voel die er nooit eerder was, laat staan dat ik ooit met ze praatte. Mijn kanten beha’s heb ik verruild voor degelijke voedingsbustiers met van die stukken stof die ik omlaag kan klappen, zodra mijn kind aan tafel wil. Om de lekkende melk die tussen de voedingen door uit mijn borsten sijpelt op te vangen, draag ik er van die handige ‘nursing pads’ in, een chic woord voor maandverband voor lekkende tieten. Dat spul kun je allemaal kopen in de borstvoedingswinkel, waar ik mezelf op een zaterdagochtend terugvind, om een kolf aan te schaffen. Aldaar word ik samen met vijf andere verse moeders naar een ruimte geleid waar we onze tieten mogen ontbloten om ‘even wat exemplaren te testen’. Ik verzet me niet, ga zitten tussen de andere vrouwen, zet een kolf aan mijn borst en loop een uur later gelukzalig met mijn nieuwe aankoop, de Swing Maxi, naar buiten. Als Rick uit zijn werk komt praat ik tegen hem in poepluiers (vandaag had Lóa er twee!) en, nu ik die kolf heb, ook in de hoeveelheid moedermelk die ik heb afgetapt (vanochtend 90 milliliter!). Er zijn momenten dat ik denk: als Lóa nu weggaat, heb ik lekker mijn oude leven terug, maar tegelijkertijd maakt die gedachte me gek. Of ze al doorslaapt en ik al gewend ben, vraagt vriendin Kim zich af. Die lieve onwetende schat.

Patricia van den Broek, adjunct-hoofdredacteur VIVA
patricia@viva.nl
twitter.com/patriciavdbroek