‘Een reanimatie, verkeersongeval of een arm gipsen: saai is het nooit’

Hetzelfde beroep in een compleet andere wereld. In deze portrettenserie ontmoeten we de komende weken twee vrouwen die elkaar uithoren over hun werk. Deze week: Marit en Helena, die van zorgen én van actie houden.

VIVA samen met Defensie

Marit Molenaar (26), verpleegkundige spoedeisende hulp bij VUmc, praat met onderofficier en verpleegkundige bij de Koninklijke Landmacht, Helena (23). ‘Soms moet je door omstandigheden kiezen wie je helpt. Daarover moet je niet piekeren, anders ga je eraan onderdoor.’

Marit: ‘Ik ben echt zo benieuwd: hoe ziet een werkdag er nou uit voor jou?’

Helena: ‘Die vraag krijg ik vaker. Op dit moment ben ik op de kazerne niet alleen als verpleegkundige bezig. Ik ben ook onderofficier. Als we bijvoorbeeld op oefening gaan, bereid ik die in de voorgaande weken voor en na zo’n oefening ben ik bezig met het onderhoud. Daarnaast werk ik minstens drie maanden per jaar in een ziekenhuis om zo mijn BIG-registratie te behouden. Zo’n registratie geeft duidelijkheid over wat een zorgverlener kan en mag.’

‘Op welke afdeling werk je dan?’

‘Mijn voorkeur gaat uit naar een chirurgische afdeling. Of waar jij werkt; de spoedeisende hulp. Die afdelingen komen qua onvoorspelbaarheid het dichtst in de buurt van ons werk. Zou jij bij Defensie kunnen werken?’

‘Ik heb me er wel ooit in verdiept, maar nooit de stap gezet. Wel denk ik dat de spoedeisende hulp inderdaad veel raakvlakken heeft met jouw werk. Het is een aaneenschakeling van onvoorspelbare, acute situaties. Ik kan bij een reanimatie worden geroepen, maar ook een groot trauma opvangen bij bijvoorbeeld een ernstig verkeersongeval. Het volgende moment gips ik weer de arm van een kind. Maar het grote verschil is, denk ik, dat de materialen die ik nodig heb altijd aanwezig zijn. Stel: er is bij jullie op uitzending een grote explosie en iemand bloedt heel heftig. Heb jij dan bijvoorbeeld standaard ongekruiste packed cells (bloed dat iedereen kan krijgen) bij je?’

‘Nee, dat heb ik niet. Als ik op patrouille ga, kunnen we helaas niet alles meenemen. Wel heb ik een Algemeen Militair Verpleegkundige-tas bij me. Daar zit het meest belangrijke in, bijvoorbeeld vloeistof waarmee we de hypovolemische shock kunnen behandelen (veel bloedverlies). Zo kunnen we wat tijd rekken.’

‘En heb je dan een samenwerkingsverband met het ziekenhuis waar je naartoe gaat?’

‘Ook niet. We gaan dan naar een militair hospitaal. Die bouwen we zelf met opblaasbare tenten, die voldoen aan de eisen van een ziekenhuis. We hebben een spoedeisende hulp, een intensive care en zelfs een OK.’


Marit (links) en Helena (rechts)

‘Komt het ook weleens voor dat je niet voldoende materiaal hebt om te helpen?’

‘Vanuit de zorg wil je natuurlijk iedereen helpen, maar als er niet voldoende middelen zijn, moet je een keuze kunnen maken. Dat moet je overigens echt kunnen. Als je daarover gaat piekeren, ga je eraan onderdoor.’

‘Dat herken ik wel. We maken vaak heftige situaties mee. Door deze ervaringen leer je om sommige dingen makkelijker naast je neer te leggen. Maar als we bijvoorbeeld een kinderreanimatie hebben gehad, zie je toch dat iedereen aangeslagen is. De ouders zijn hierbij ook vaak aanwezig, omdat dit voor de verwerking een positief effect heeft. Maar dat is heftig hoor. Ondanks dat je er beter mee om leert gaan, doen sommige dingen nog veel met je’.

‘Het helpt om het daarna nog even te bespreken met je collega’s. Maar zeker als er spoed is, is daar niet altijd tijd voor.’

‘Dat klopt, dan staat bij ons de volgende ambulance bijvoorbeeld alweer te wachten. Maar ook al is het een dag later, erover praten is inderdaad wel goed. Maar die onvoorspelbaarheid maakt ook dat ik dit werk interessant vind. Als een ambulance binnenkomt, ben ik degene die de patiënt opvangt. Dus dan moet ik heel snel beslissen: wat ga ik doen en hoe snel wil ik een arts erbij hebben. Ook krijgen we veel zelfverwijzers (mensen die zelf met een klacht komen) binnen. Tijdens de opleiding word je daar goed op getraind. Je moet symptomen en de afwijkende parameters kunnen herkennen om de urgentie van de patiënt en eventuele werkdiagnoses te stellen, zodat je vast de eerste behandeling in kan zetten voordat de arts erbij komt. Voor mij zit er dus voorlopig nog genoeg uitdaging in mijn werk. Misschien wil ik ooit op een ambulance gaan rijden of lesgeven aan studenten verpleegkunde. Wil jij dit werk voor altijd blijven doen?’

‘De komende jaren draag ik dit groene pak zeker nog wel. Bij Defensie werken vind ik echt leuk. Maar mocht ik op een gegeven moment iets anders willen, dan kies ik misschien ook voor de spoedeisende hulp. Want bij jullie zit, net als bij Defensie, dat extra stuk uitdaging, spanning en actie. Dat heb ik nodig.’

Meer weten over de mogelijkheden bij Defensie?
Wereldwijd werken aan vrede en veiligheid: dat is de dagelijkse missie van Defensie. De militairen die bij Defensie werken zijn mannen én vrouwen die daaraan willen bijdragen. En daar komt veel meer bij kijken dan alleen de gevechtstroepen. Bij Defensie kun je allerlei talenten kwijt die je misschien niet zou verwachten. Nieuwsgierig? Ontdek hier alles over de taken die je als vrouw bij Defensie kunt vervullen.

Meer lezen?
Bekijk dan ook de andere artikelen uit deze reeks:
Iris en Jes werken ‘in de bouw’. ‘Als er ook om jouw grappen wordt gelachen, weet je dat je one of the guys bent’
Evelien en Ichelle zijn sporters in hart en nieren. ‘Zo’n band met mijn collega’s vind ik nooit meer’
Charell en Joanne vliegen de hele wereld over. ‘Ik geef vaak opdrachten, maar thuis niet, hoor. Dat zou wat zijn, zeg.’
– Bij Elize en Anna staat lekker eten op nummer één. ‘Bij golven van acht meter hoog moet je de pannen goed vastzetten.’
In het beroep van Kim en Melanie is de rust bewaren van levensbelang. ‘Als ze weer eens om mijn nummer vragen, zeg ik: 112’
– Nicolien en Esther zijn meteoroloog. ‘Ik kan op één dag bezig zijn met het weer in het Caribisch gebied, Mali en de sneeuw in Noorwegen tegelijk.’
 Annemijn en Sharon verbinden mensen door middel van communicatie. ‘In heb in een jaar zeven landen gezien, in welk beroep maak je dat nou mee?’