Doodse stilte #27: ‘De rouwkaart. Waar begin je mee?’

doodse stilte saskia idema

Iedere week kun je op VIVA.nl een hoofdstuk lezen uit het ontroerende boek Doodse stilte van Saskia Idema. Ben je klaar voor een nieuw hoofdstuk…?

Ik lig in bed, maar ik kan de slaap niet vatten, terwijl ik aan alles voel dat ik volledig uitgeput ben. Mijn oogleden voelen zwaar, mijn rug en schouders doen pijn en ik heb amper de kracht om me om te draaien. Ik lig op mijn rug, met mijn handen onder mijn hoofd, na te denken, te piekeren. Er moet nog zoveel geregeld worden… De rouwkaart, de bloemen, de dienst die nog gevuld moet worden met… tja, met van alles.
Ga ik wat zeggen?
Kan ik dat?
De rouwkaart. Waar begin je mee?
‘Van ons is heengegaan onze lieve…’
Nee.
‘Helaas hebben wij afscheid moeten nemen van…’
Nee.
‘Tot onze grote spijt is gestorven…’
Nee.
Misschien moet ik even op internet kijken voor inspiratie. Maar mijn telefoon is weer eens beneden. Zal ik eruit gaan om hem op te halen? De gedachte alleen is al dodelijk vermoeiend.
Ik draai me om en ga op mijn zij liggen. Ik kijk naar Vera die, diep in slaap, op het luchtbed naast me ligt. Haar blonde haren liggen als een grote waaier verspreid over haar kussen en ze heeft haar dekbed tot aan haar kin opgetrokken. Haar gesloten ogen en langzame ademhaling stralen een ongelooflijke rust uit.
Mijn lieve vriendin vroeg niet of ze moest blijven slapen. Ze bleef gewoon. Nadat we gisteravond een fles wijn leeg hadden gedronken, stond ze ineens op en liep ze naar de zolder.
‘Ik pak even het luchtbed en zo,’ zei ze.
‘Luchtbed?’
‘Ja. Ik blijf slapen.’
‘Je blijft slapen?’
‘Ja. Naast jou, maar niet op Leons plekje… Dat voelt niet goed.’
Ik kreeg tranen in mijn ogen.
‘Dat hoeft niet hoor, ik red me wel…’ mompelde ik nog.
Ze trok een wenkbrauw op. Hierdoor had ze een ‘wat-denk-je-zelf-madam’ hoofd.
‘Het was geen vraag,’ was haar korte antwoord.
Toen liep ze heel zachtjes naar boven en begon een bed voor haarzelf in orde te maken. De topper.
Goed, de kaart…
‘Laat je hart spreken…’ Joke had de woorden in mijn oor gefluisterd toen zij en Henk weg gingen. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.
Mijn hart doet pijn. Op sommige momenten is het gemis zo intens aanwezig, dat het fysiek pijn doet. Het onbegrip en de onmacht die ik voortdurend voel, spelen hier een grote rol in. Maar hoe kan ik dit in woorden omschrijven? Dat is toch onmogelijk?
Ik adem diep in en werp een blik op de wekker. Het is halfdrie. Die kaart moet tot morgenochtend wachten. Het is niet anders. Ik draai me op mijn zij en val dan in een onrustige slaap…

De volgende ochtend zit ik aan de eettafel met een kop dampende koffie. Jasper en Eva zitten allebei op de bank naar de televisie te kijken met een kom cornflakes met yoghurt in hun handen. Mijn oogleden voelen nog steeds zwaar aan. De paar uurtjes slaap die ik heb gehad hebben hun werk niet gedaan.
‘Mama, het is zondag, toch?’ vraagt Jasper vanaf de bank.
‘Ja, het is zondag,’ antwoord ik. We zijn al twee dagen verder, twee dagen geleden stonden de agenten hier in de woonkamer.
Ik zie Jasper even bedenkelijk kijken.
‘Op zondag eten we altijd een eitje toch, mama?’
De gedachte aan eten maakt me meteen beroerd. Gisteren kreeg ik ook al amper een hap door mijn keel. Misschien was die fles wijn gisteravond toch niet zo handig… Ondanks dat ik maar een paar glazen heb gehad, voelt het alsof ik minstens tien flessen wijn heb opgedronken. Mijn hoofd bonst en ik voel telkens een vlaag van misselijkheid omhoogkomen.
‘Ja, schat, maar vandaag niet…’ zeg ik zachtjes.
Ik weet niet eens of we eieren hebben. Ik heb ook niet de energie om te gaan kijken, laat staan om ze te koken. ‘Eten we zonder papa geen eitjes meer?’ vraagt Jasper.
Mijn mondhoeken trillen en even voel ik de neiging om in tranen uit te barsten.
‘Jawel, schat. Alleen vandaag even niet. Mama moet even… mama heeft even wat tijd nodig, goed?’ Mijn stem trilt.
Jasper zegt niets, hij kijkt me alleen aan.
‘Ben je verdrietig, mama?’

Ik knik en ik voel de tranen opwellen in mijn ogen.
‘Dat snap ik wel,’ zegt Jasper zachtjes, terwijl hij zijn hoofd bijdraait en naar de grond kijkt.
Dan kijkt hij weer op en komt langzaam naar me toe gelopen.
‘Mama?’ vraagt hij.
Ik schraap mijn keel. ‘Ja?’ ‘Ik weet niet meer zo goed hoe Dikke Lot eruit zag.’ De overleden kat van Joke…
‘Oh nee? Dat geeft niks hoor, schat.’
‘Maar ga ik dan ook vergeten hoe papa eruit ziet?’
Poeh, die komt even binnen. Hier had ik nog helemaal niet over nagedacht. Hij is vier jaar. Wat zal hij zich later nog van zijn vader herinneren? En Eva? Zij is pas twee… De werkelijkheid komt even hard bij me binnen. Zij zal zich waarschijnlijk niks herinneren van haar vader.
‘Ik denk het niet, schat,’ zeg ik, terwijl ik hem bij me op schoot trek.
‘We gaan mooie foto’s van papa in huis zetten. We kunnen er ook een paar op je kamer zetten als je dat fijn vindt? En we hebben filmpjes en spulletjes van papa… Ik denk niet dat je hem ooit zal vergeten.’ ‘Oh.’ Hij denkt even na. ‘Want weet je? Oma zei dat papa in mijn hart zit… Maar hoe dan? Want papa past toch niet in mijn hart?’
Ik glimlach door mijn tranen heen.
‘Oma bedoelt dat de herinneringen aan papa, alles wat we samen hebben meegemaakt, dat je die gaat onthouden. En als je aan papa denkt, dan denk je aan alle leuke dingen die je met papa hebt gedaan. En dat noem je ‘in je hart bewaren’.
Jasper kijkt me fronsend aan, alsof ik hem zojuist heb verteld dat Sinterklaas dit jaar op een paars paard aankomt.
‘Ik vind dat grote mensen soms rare dingen zeggen,’ zegt hij.
Ik moet lachen en geef hem een dikke knuffel.
‘Je hebt helemaal gelijk jongen.’
‘Maaaaama, Eva is Japser kwijt!’ Mijn dochter komt ineens om de hoek kijken.
Dan ziet ze haar broer bij mij op schoot zitten.
‘Ohhhh, daar issie, mama!’ roept ze vrolijk.
‘Eva,’ zegt Jasper bloedserieus en op belerende toon. ‘Je kan mij niet kwijtraken. Ik zit in je hart, want wij zijn familie.’ Ik verstijf.
Dat is het.
Dit moet het zijn.
Ik til Jasper van mijn schoot en pak snel mijn laptop.
Als ik hem opstart, zie ik de proefdruk van de rouwkaart al snel op mijn scherm, zoals Gabriëlla dat gisteravond voor heeft gedaan. Ik klik om de digitale kaart open te vouwen en zie enkel zijn naam in het midden staan.
Ik open een tekst vak boven zijn naam.
Ik begin te typen en lees datgene wat ik zojuist geschreven heb nog een keer door. Ik krijg er kippenvel van en mijn ogen vullen zich met tranen. Als ik het zo op mijn beeldscherm zie, dan lijkt het ineens zo echt. Zo definitief.
Ik blijf de tekst opnieuw lezen. En weer opnieuw. Mijn ogen volgen de letters van zijn naam.

Ja, dit is perfect.
Ik sla snel mijn laptop dicht als ik Vera de trap af hoor komen en veeg de tranen van mijn wangen. Mijn vriendin staat met nat haar in de keuken en loopt in één streep naar me toe. Ze geeft me een kus op mijn wang.
‘Goedemorgen,’ zegt ze met een beetje een krakende stem. Dan slaat ze verschrikt haar hand voor haar mond.
‘Oh sorry, goedemorgen is natuurlijk niet het goede woord. Ik… sorry, Esmee. Het flapte er zo uit. Dat heb ik wel vaker, maar dit is wel heel ongelukkig… Sorry.’
Ik pak snel haar hand en kijk haar aan. Ik weet dat ze het alleen maar heel goed bedoelde.
‘Goedemorgen, lieve Vera,’ zeg ik, terwijl ik in haar verschrikte ogen kijk.
‘Koffie?’
Ze haalt opgelucht adem.

‘Ik maak het zelf wel even. Wil jij even douchen? Dan ga ik wel even met de kids televisie kijken.’ Ik sluit mijn ogen. Even in alle rust douchen, dat klinkt als iets waar ik echt aan toe ben. Ik ga met mijn hand over de pijnlijke spieren van mijn schouders en knik.
‘Graag,’ zeg ik zachtjes.
Ik pak mijn telefoon en neem hem mee naar boven, want ik denk dat mijn vader zo meteen wel zal bellen.
Als ik boven ben, blijf ik even voor de deur van de studeerkamer staan. Ik kom eigenlijk nooit in de studeerkamer. Het was vooral Leons domein. En door alles wat er gebeurd is, heb ik die kamer een tijdje vermeden. Ik leg mijn hand op de deurklink en even twijfel ik… Zal het er nog hangen? Alle foto’s, krantenknipsels en notities die Leon had verzameld en aan de muur had gehangen in zijn obsessieve zoektocht naar Fenna? Hij zou het weghalen. Heeft hij dat echt gedaan?
Ik haal diep adem en druk de deurklink omlaag. Maar dan voel ik een enorme weerstand in me opkomen en ik laat de deurklink weer los, zonder dat ik de deur open heb gedaan.
Nee, nog niet.
Nu nog niet.
Ik loop naar de badkamer, trek mijn badjas, T-shirt en ondergoed uit en ga onder de warme douche staan. Het stromende water voelt als een warme deken op mijn pijnlijke spieren.
Ik heb het hem niet gezegd.
Hoewel Vera gisteren ongeveer twee uur op me ingepraat heeft dat Leon écht wel heeft geweten hoeveel ik van hem houd, blijven de berichtjes door mijn hoofd gaan.
Ik heb het hem niet gezegd.
Als ik afgedroogd ben, pak ik mijn telefoon. Ik zie dat er nog meer condoleances binnen zijn gekomen, maar ik negeer ze. Ik zoek het gesprek met Leon erbij en lees nog een keer de berichtjes. Heb ik het echt niet gezegd? Eerder ook niet? Dan valt mijn oog op een berichtje wat ik gisteren ook gelezen heb. ‘Ik moet vanavond ongesteld worden.’
Wacht.
Wanneer was dit?
Mijn ademhaling versnelt en ik heb het ineens ijskoud. Mijn ogen zoeken naar een datum.
Dinsdag. Het was dinsdag.
Ik begin luider te ademen en doe mijn best om na te denken.
Dinsdag.
Ben ik ongesteld geworden? Wat heb ik woensdag gedaan?
Fuck!
Nee. Ik ben niet ongesteld geworden.
Mijn handen beginnen zo hard te trillen dat ik mijn telefoon laat vallen.
Nee, nee, nee… Alsjeblieft nee.
Niet nu.
Ik denk aan de afgelopen dagen. De misselijkheid die ik voelde, toen ik voor het eerst naar Leon moest, toen ik Fenna onder ogen kwam, toen ik naast Leons kist stond… De ontzettende vermoeidheid die ik de afgelopen dagen voelde. Ik zie allemaal puzzelstukjes op hun plek vallen. Nee. Nee, nee, nee… Het waren heftige dagen. Daarom was ik misselijk. En moe. Natuurlijk word je daar misselijk en moe van. En door stress kan je ongesteldheid uitblijven, toch?
Ergens in mijn achterhoofd hoor ik een stemmetje.
‘Maar woensdag en donderdag was er nog niks aan de hand… en toen werd je ook niet ongesteld.’
Mijn hart begint als een razende in mijn keel te kloppen. Ik ben nooit overtijd. Nooit. Waarom heb ik dit niet eerder gemerkt? Hoe kan dit? Het zal toch niet? Het is vast toeval… Met mijn handdoek nog omgeslagen, loop ik naar mijn nachtkastje, waar ik een lade open. Daar ligt hij, het doosje met de zwangerschapstest. Klaar om samen met Leon te doen. Moet ik dit doen? Fuck.
Moet ik die test doen?
Oké, rustig. Esmee, rustig.
Ik pak het doosje uit mijn nachtkastje en houd hem met twee handen vast.
Natuurlijk kan dit niet. Mijn handen trillen hard en ik begin te hyperventileren.
‘In via de neus… uit via de mond,’ hoor ik Vera in mijn achterhoofd.
Esmee, rustig. Rustig!
Het is echt niet waar. Echt niet.
Met het doosje loop ik naar het toilet, terwijl ik snel een glas uit de badkamer pak. Ik ga op de WC zitten en houd het glas onder me.
Tien seconden later staat er een glas met een laagje urine op het wasbakje in het toilet. Ik moet het zeker weten, ik móét het weten.
Omdat ik niet het geduld heb om het doosje netjes open te maken, scheur ik hem kapot bij de opening. Ik frutsel de, in plastic verpakte, test uit het doosje en scheur met één beweging de verpakking open. De test trilt in mijn hand als ik de dop eraf haal en hem in de urine doop. Één… Twee… Drie… Vier… Vijf… Zes… Zeven… Acht… Negen… Tien…
Ik haal de test uit het glas, druk de dop erop, veeg me af met wat toiletpapier en loop weg uit het toilet, de test achterlatend. In een waas loop ik naar mijn slaapkamer.
Dit kan niet waar zijn, echt niet!
‘Maar het kan wéhel…’ roept het stemmetje in mijn hoofd.
We gebruikten geen anticonceptie. De wens voor een derde kindje was nog steeds aanwezig.
Met een bonkend hart trek ik schoon ondergoed aan en ik duw mijn voet zo hard in de broekspijp van mijn spijkerbroek, dat hij bijna kapot gaat.
Ik pak het eerste shirtje wat ik zie liggen en schiet hem aan.
Ik wil het niet weten, ik laat die test daar gewoon liggen, zonder te kijken. Ja, dat doe ik.
In de badkamer pak ik de borstel en ik begin wild mijn haren te borstelen.
Dit kan niet waar zijn. Zal ik gaan kijken?
Nee, ik wil het niet weten.
Ik kluns met mijn sokken en trek dan snel mijn gympies aan.
Moet ik verder nog iets doen? Nee.
Vast wel, wat kan ik nog meer doen?
Nee.
Wil ik het weten?
Nee.
Maar ik loop toch naar het toilet… Stap voor stap loop ik door de gang, terwijl ik mijn hart hoor bonzen. Ik heb kippenvel over mijn hele lijf als ik mijn hand op de deurklink leg. Ik houd mijn adem in als ik de deur open doe.
Ik zie de test liggen op het randje van de wasbak, het glas gevuld met urine staat ernaast.
Ik sluit even mijn ogen en doe een stap naar voren.
Nee, nee, alsjeblieft… Nee… Dan open ik langzaam één oog en dan nog langzamer mijn andere oog en ik kijk naar de test.

Ja.

De paniek slaat me in razendsnel tempo om het hart en ik krijg het enorm benauwd.
Nee. Nee. NEE!!
Ik kan niet meer nadenken, mijn hele lijf is gespannen en ik begin steeds harder te hyperventileren.
Weg.
Weg moet ik.
Ik moet hier weg.
Ik doe een stap achteruit en kijk even verdwaasd om me heen.
Weg, gewoon weg.
Zonder na te denken ren ik stampend de trap af en ga dan in één streep naar de voordeur.
Nee.
<em>Ik heb het hem niet gezegd.</em>
Nee!
Met veel kracht open ik de voordeur en mijn voeten beginnen te lopen, te rennen… en ik volg.
Ik ren naar de overkant, het park in, terwijl er duizend dingen door mijn hoofd gaan.
Een baby.
Nee. Dit kan niet.
Ik voel de paniek toenemen en begin harder te rennen. Ergens in de verte hoor ik de paniekerige stem van Vera die me naschreeuwt.
‘Esmee!’
Mijn kinderen zijn veilig bij haar. Ik kan dit niet, dit is te veel.
Ik weet niet waar ik naartoe ren, ik ren het hele park door, zo hard als ik kan, terwijl de tranen over mijn wangen stromen en ik luidkeels snik.
Ik blijf rennen en na een paar minuten, als ik ver genoeg van de bewoonde wereld ben, laat ik me huilend op de grond zakken, met mijn knieën in het zand.
‘Neeeeeeeee.’ Ik schreeuw het uit. Alles komt eruit, alle emotie. Ik schreeuw zoals ik dat nog nooit heb gedaan, zo hard als ik maar kan.
‘Godverdomme Leon, nee!’ Het doet pijn aan mijn keel.

De tranen blijven stromen en ik veeg met de palm van mijn hand mijn natte neus droog.
‘Waarom?! Waar ben je? Leon… alsjeblieft… kom terug! Ik kan dit niet alleen!’
Ik schreeuw en sla met mijn vuisten op mijn benen. Vanaf mijn knieën laat ik me helemaal vallen, totdat ik op mijn zij lig. Het maakt me niets uit dat mijn fris gewassen haar en natte wang in het zand liggen. Ik rol me op, trek mijn knieën zo hoog op als ik kan en sla mijn armen eromheen.
‘Leon… Nee… Dit kan niet… Leon, alsjeblieft… Kom terug…’

Maar het blijft stil. Op mijn eigen gesnik en het suizen van de wind na blijft het stil. Doodstil.

Over Doodse Stilte

Op VIVA kun je iedere week een nieuw hoofdstuk van Doodse Stilte lezen. Lees jij liever dit prachtige boek in een keer uit? Je kunt het hier bestellen.

Over Saskia Idema

Saskia komt uit Hengelo en is docente, schrijfster en bovenal moeder. Moeder van maar liefst drie kinderen: Niels (2010), Lieke (2012) en Emma (2016). Al van jongs af aan is schrijven haar uitlaatklep voor alle bizarre, mooie en pijnlijke hersenspinsels.

Lees ook de vorige hoofdstukken van Doodse Stilte:

Mocht je benieuwd zijn naar de eerste hoofdstukken van Doodse Stilte, dan raden we je aan om het boek te bestellen.

(15) Doodse stilte #15: ‘Esmee, asjeblieft. Laat het me uitleggen’
(16) Doodse stilte #16: ‘Ssst…,’ sist ze hem toe. ‘Houd je kop.’ Haar stem is ineens akelig kil’
(17) Doodse stilte #17: ‘Ik word wakker van een harde bons en ik zit meteen rechtop in bed. Wat is dat?
(18) Doodse stilte #18: ‘Hij leeft pap. Hij heeft me gebeld!’
(19) Doodse stilte #19: ‘Wil ik dat al? Wil ik Leon vandaag zien? Wil ik hem überhaupt zien?’
(20) Doodse stilte #20: Doodse stilte #20: ‘Ik dwing mezelf om naar rechts te kijken. Daar ligt hij. Het is hem echt’
(21) Doodse stilte #21: ‘Papa ligt hierbinnen, achter een gordijn. In een mooie, witte kist’
(22) Doodse stilte #22: ‘Ik ben eventjes stil. Overdonderd. Ik had veel verwacht, maar dit?’
(23) Doodse stilte #23: Ik heb nog nooit iemand geslagen. Maar… als ze nu niet heel snel weg loopt, dan krijgt ze mijn vuist regelrecht in dat ‘mooie’ gezichtje van haar’
(24) Doodse stilte #24: ‘Vol verbazing kijk ik haar aan. Hoe durft ze?’
(25) Doodse stilte #25: Doodse stilte #25: ‘Nou moet je verdomme eens even heel goed naar me luisteren!’

Op de hoogte blijven van onze leukste artikelen en winacties?Schrijf je in voor de VIVA-nieuwsbrief.