Over kinderkots en strontluiers

geroosterde venkel

Zo. Het is maandagochtend, tijd voor een gezéllig onderwerp.

De luiers van mijn kinderen. Ik vind ze allesbehalve vies. Hun parfum staat nog nét niet in mijn top tien, maar het komt in de buurt. Ik poets babybillen zonder problemen en ik bestudeer vol overgave de inhoud van een pamper. (Gister maïs gegeten. Wat een gek velletje. Wat zijn dit voor pitjes?) Zelfs met het opvissen van een verdwaalde bruine haai in het bad heb ik géén probleem. Wat poep betreft ben ik een echte held.

Met braaksel heb ik meer problemen. Halffabrikaten leveren blijkbaar meer stress op dan het menselijk eindproduct. Van kots ga ik zelf ook kokken. En dat is best gek eigenlijk. Want kots riekt veel minder dan stront en het lijkt veel meer op eten. Bovendien komt het via de slokdarm, doorgaans een hygiënischer kanaal dan de endeldarm. Maar waarschijnlijk is dat ook het probleem. Dat het op eten lijkt. (Maar dan met van die slijmdraden, yuch.)

Meestal ben ik degene die hier in huis de viezigheid opruimt. Als ik Paul stuur, heb ik er een probleem bij. Zowel qua poep als qua braaksel. Hij vindt het beide om te kotsen. En dat doet hij dan ook acuut.

Zitten jullie inmiddels aan de koffie? Ontbijtje achter de kiezen? Mooi, dan komt nu de vraag.

Hoe komt het toch dat mannen, doorgaans de mond vol van poepverhalen en behoorlijk gehecht aan hun eigen producten (en daarbij behorende geur), spontaan in zulke mietjes veranderen wanneer het op kinderpoep – nota bene hun eigen vlees en bloed – aankomt.

En voorts; waarom is kots erger dan poep?

Degene met het meest originele antwoord krijgt een eervolle vermelding.