De loterij winnen

Wat zou ik ‘m graag gewonnen hebben, de Staatsloterij. Maar de kans om te winnen is één op de vijf miljoen, en ik was de gelukkige niet.
Dus nu moet ik tot volgend jaar fantaseren wat ik allemaal met het geld gedaan zou hebben. Nog een heel jaar, voordat ik weer een nieuw lot kan kopen.

Consumeren voor het leven
Dertig miljoen, je zal het maar winnen. In één klap ben je rijk, stinkend rijk. Zo rijk dat je vijf grachtenpanden zou kunnen kopen, zeker dertig Ferrari’s en duizend paar Marc Jacobs-pumps. En dan nog zou je geld overhouden om een zwembad in je achtertuin te laten bouwen, de P.C. Hooftstraat leeg te kopen en je kat alleen nog maar kaviaar voor te schotelen op een gouden bordje. Wat een luxeleven.

Realisten en dromers
‘Ik win ieder jaar de loterij’, zegt mijn vader vaak tegen me. ‘Door niet mee te doen, bespaar ik elke keer weer geld’. Mijn vader is een realist. De kans van één op vijf miljoen is hem te klein. En geef hem eens ongelijk. Maar zij die wel elk jaar een lot kopen – voor maar liefst dertig euro! – zijn de dromers. Zij laten zich niet afschrikken door tegenvallende kansberekeningen. Want stel nou toch dat je wint. Het zou zo maar eens kunnen, alles is mogelijk.

Bahama’s
Geld maakt niet gelukkig, zo luidt het gezegde. En waarschijnlijk is dit waar. De meest waardevolle dingen in het leven, zoals geluk en liefde, zijn nu eenmaal niet te koop. Maar misschien dat het leven met een goed gevulde portemonnee wel een stukje gemakkelijker zou zijn. Want als ik me nooit meer druk zou hoeven maken om geld had ik zeker vijf grijze haren minder. O, en lag ik nu op de Bahama’s te vegeteren.

En wat zouden jullie doen?

Bron foto: 401 (k) 2012