Leven met een depressie: ‘Vanbinnen was ik eigenlijk al dood’

Jorien (22) kampte haar hele jeugd met depressieve gevoelens en kreeg later suïcidale gedachten. Pas toen haar vriend haar voor het blok zette, besloot ze hulp te zoeken.

Tekst: Vivienne Groenewoud

‘Als het me te veel werd, ging ik weleens lukraak in een trein zitten waarvan ik niet eens wist waar die naartoe ging. Of ik ging kilometers fietsen. Alles om maar niet thuis te hoeven zijn. Hoewel mijn vriend heel lief voor me was, bleef ik maar het idee hebben dat ik een last was. Dat ik hem met mijn problemen opzadelde. Daardoor begon ik steeds meer fatalistische gedachten te krijgen. Dingen als: wat doe ik hier nog op de wereld? Ik hoopte soms zelfs dat ik een ongeluk zou krijgen, dan was ik tenminste van alles af.’

Eenzame jeugd

‘Als ik terugdenk aan mijn jeugd, word ik overspoeld door een gevoel van immense eenzaamheid, ook al kom ik uit een gezin van vijf kinderen, van wie ik de op een na oudste ben. Boven mij zit een broer, onder mij twee zusjes en mijn jongste broertje. We woonden op een boerderij, heel geïsoleerd. Het dichtstbijzijnde dorp was zeven kilometer verderop. Mijn ouders hadden altijd zorgen over het boerenbedrijf, altijd stress. Geen geld is geen brood op de plank, werd thuis vaak gezegd. Het bedrijf stond op nummer één, de kinderen op twee. Mijn vader was altijd aan het werk. Áls ik hem wat langer zag, was dat tijdens het eten, maar dan was het nooit gezellig. Ook aan tafel ging het over zorgen en problemen, er hing altijd een gespannen sfeer. Als wij iets zeiden, werd er niet geluisterd. Mijn ouders hadden ook vaak onenigheid. Wij leerden al snel dat, als we ergens mee zaten, we het zelf moesten oplossen. Achteraf denk ik dat de situatie thuis een trigger is geweest voor mijn depressie, maar de aanleg ervoor zat al in me. Ik was een stil en verlegen meisje met weinig zelfvertrouwen.

Niet weerbaar, niet opgewassen tegen het leven. Op school had ik wel vriendinnen, maar daar ging ik eigenlijk alleen maar langs om niet naar huis te hoeven. Ik schaamde me voor de situatie thuis, kwam voor mijn gevoel uit een heel stom gezin en dat hield ik liever geheim. Dus als ik al met een vriendinnetje afsprak, dan was dat nooit bij mij thuis. En dan zorgde ik er wel voor dat het gesprek over haar ging in plaats van over mij. Uitgaan deed ik niet: mijn ouders zijn erg gelovig en wilden dat niet. Ik was te timide om ertegenin te gaan, ook al geloofde ik zelf al lang niet meer. Ik ging nog wel braaf mee naar de kerk, maar met steeds meer tegenzin. Hoe kon het dat het met mij steeds slechter ging, terwijl God er voor iedereen zou moeten zijn? Die gedachte met mijn ouders delen, liet ik wel uit mijn hoofd. Zo kwam ik steeds meer in een isolement.’

Geschikte bomen

‘Zo’n situatie legt natuurlijk een enorme druk op een jong kind. Ik stopte alles weg, totdat ik op de middelbare school last kreeg van hevige hoofdpijnen. Spanningshoofdpijn, dacht de huisarts. Het zal wel, dacht ik. Ik had geen idee wat ik daartegen moest doen. Als ik al probeerde met mijn ouders te praten, werd er hooguit gereageerd met ja, nee of oh, en daarmee was het gesprek afgelopen. Ik had het gevoel dat ze geen enkele moeite in me wilden steken, dus waarom zou ik het nog blijven proberen?

‘Als ik ging wandelen, keek ik uit naar goede bomen om mezelf aan op te hangen’

Terwijl ikzelf steeds stiller werd, was 
het in mijn hoofd nooit stil. Ik was voortdurend aan het malen en piekeren en huilde mezelf ’s nachts in slaap. Zo sukkelde ik mijn jeugd door, totdat ik op mijn achttiende Arno leerde kennen. Het klikte meteen en we werden verliefd. Ik was ontzettend gesloten, maar hij blééf vragen en volhouden, totdat de muur die ik om me heen had gebouwd, langzaam afbrokkelde. Aan de ene kant vond ik het fijn om iemand te hebben die naar me wilde luisteren, maar ik zat ook in tweestrijd: ik wilde geen last zijn, dat had ik me al te vaak gevoeld. Dus dat ik doodsgedachten had, vertelde ik maar niet. Ik kreeg steeds sterker het gevoel dat ik er beter niet meer kon zijn. Dan was ik tenminste van het loodzware gevoel af dat ik voortdurend meedroeg. Ik wilde geen hulp zoeken omdat ik niemand met mijn problemen wilde opzadelen. Toch ging ik impulsief rare dingen doen. Zo slikte ik een keer een stuk of twintig paracetamols, gewoon om te kijken wat er zou gebeuren. En als ik ging wandelen, keek ik uit naar goede bomen om mezelf aan op te hangen. Ik smeedde ook plannen om mezelf voor de trein te gooien. Aanvankelijk schrok ik ervan, maar als zulke gedachten zich herhalen, worden ze op een rare manier normaal. Arno wist van niets, totdat ik me op een dag hardop afvroeg wat ik nog op deze wereld deed. Hij schrok, had geen idee dat ik zo depressief was en zulke gedachten had. ‘Zo moet je niet denken!’ zei hij. En: ‘Wat moet ik dan zonder je?’ Maar het kon me niets meer schelen. Vanbinnen was ik eigenlijk al dood. Hij probeerde er voor me te zijn, maar ik voelde me niet begrepen. En mijn ouders hadden het al zo druk, mijn problemen konden ze er niet bij hebben. De doodsgedachten kwamen steeds vaker, niemand zou me missen.

Op een dag ben ik naar het treinspoor gefietst en naast de rails gaan zitten. 
Ik wilde niet meer. Ik stuurde Arno een berichtje waarin ik afscheid van hem nam. Hij appte direct terug: ‘Als jij doodgaat, ga ik ook dood.’ Maar dat wilde ik niet! Ik wilde niet zijn dood op mijn geweten hebben. Langzaam kwam ik bij zinnen en ben ik naar huis gefietst, waar Arno me opwachtte. Toen heeft hij me voor de keuze gesteld: werk aan jezelf of ik ga bij je weg, hoeveel ik ook van je hou.’ Op zoek naar hulp. ‘Hij vertrouwde me niet meer. Vroeg voortdurend waar ik was en wat ik deed. Op die manier kun je niet leven. Dus ben ik naar de huisarts gegaan en belandde vervolgens bij de crisisdienst. Daar had ik een lang gesprek en kreeg ik medicatie voorgeschreven om te kunnen slapen.

Ook kreeg ik antidepressiva, twee keer per week een begeleidingsgesprek en een noodnummer dat ik altijd kon bellen. Ik woonde nog altijd thuis, maar mijn ouders wisten er niets van. Ze vroegen weleens of er iets was, maar dan wimpelde ik ze af. Ooit snakte ik naar hun aandacht, nu was ik zo afgestompt dat ik het allemaal wel best vond. De crisisdienst vond dat ze moesten weten wat er met mij aan de hand was, maar ik durfde het niet te vertellen. In overleg met Arno hebben we besloten dat híj het mijn ouders zou vertellen. En zo ging het. Ze hadden geen idee. Vroegen waarom ik ze nooit iets had verteld, ik kon toch altijd bij ze terecht? Dat maakte een hoop los, met woedeaanvallen erbij. Al mijn opgekropte boosheid, verdriet en frustratie kwam er in de periode erna uit. Dat gevoel hadden ze me nooit gegeven! Soms was het zelfs zo erg dat Arno me in een houtgreep moest nemen om me enigszins te kalmeren. Dan bracht hij me weer naar de crisisdienst. Drie weken na het gesprek ben ik uit huis gegaan. Ik heb er bewust voor gekozen om niet meteen te gaan samenwonen, ik moest eerst tot mezelf komen, aan mezelf werken.’

‘Mensen die gelukkig lijken, kunnen ondertussen in een vreselijke strijd met zichzelf verwikkeld zijn’

Afscheidsbrief

‘In groepstherapie begon ik in te zien dat ik niet de enige was met een depressie. Langzamerhand ging het steeds iets beter met me, maar de relatie met mijn ouders bleef moeizaam. Nog steeds vroegen ze zelden hoe het met me ging. Als ik bij ze op bezoek was geweest, moest ik dagenlang bijkomen. Tijdens de groepstherapie vertelde iemand dat ze een jaar geen contact had gehad met haar ouders, en 
hoe goed haar dat had gedaan. Dat was een eyeopener. Daarom heb ik vorig jaar een brief naar mijn ouders geschreven waarin ik mijn hele hart uitstortte. Alles stond erin: hoe ik me heb gevoeld als kind en later als puber. Dat ik me nog steeds emotioneel uitgeput voelde als ik bij ze vandaan kwam. Aan het eind van de brief schreef ik dat ik voorlopig even geen contact met ze wilde. Ik was bang voor hun reactie, maar die was eigenlijk beter dan ik had verwacht. In een brief terug stond dat ze mijn keuze respecteren. Ze vinden het jammer en verdrietig dat het 
zo gelopen is. En hopen dat ik het op een gegeven moment achter me kan laten. Sinds die brief had ik pas het gevoel dat ik echt verder kon. Dat ik kon gaan helen. Ik overdrijf niet als ik zeg dat ik sinds die dag weer het gevoel heb dat ik leef. Ik heb nu alleen contact met mijn oudste broer. We zijn een stuk closer geworden nu we beiden volwassen en uit huis zijn. Hij weet als geen ander hoe het bij ons thuis was, maar hij stond er weerbaarder in.’

YOLO!

‘Het timide meisje heeft plaatsgemaakt voor een sterke, krachtige vrouw. YOLO is nu mijn lijfspreuk. Tussen Arno en mij gaat het goed. We hebben ruim vier jaar een relatie en ik heb het gevoel dat we samen de wereld aankunnen. Ik kan nu eindelijk genieten van simpele dingen zoals een terrasje pakken, al heb ik een klein sociaal kringetje. De vriendschappen van vroeger zijn verwaterd, omdat ik door mijn depressie erg op mezelf gefocust was. Ik maak nieuwe contacten, maar heb, om eerlijk te zijn, op dit moment genoeg aan mezelf, Arno en mijn werk. We bouwen aan de toekomst, al weet ik nog niet precies hoe die eruit gaat zien. Arno ziet er wel kinderen bij, ik vind dat moeilijk. Ik ben bang dat ik me altijd zal afvragen of ik het wel goed doe en of ik in staat ben mijn kinderen een leuke jeugd te geven. Die druk is groot, juist door mijn verleden. Aan de andere kant ben ik nog maar 22, er is tijd genoeg. Eerst willen we zelf nog lekker leven, want hoewel het relatief goed gaat, heb ik nog steeds ups en downs. Wel voel ik een dip eerder aankomen. Vorig jaar november bijvoorbeeld, toen had ik het echt even slecht. Dan zijn er dagen dat ik me verdrietig voel zonder reden en ochtenden waarop ik niet in staat ben om uit bed te komen en het leven niet zie zitten. De psycholoog heeft me geleerd
te kijken naar wat me op zo’n moment helpt, een rondje hardlopen of onder de zonnebank.

‘Ik kan nu eindelijk genieten van simpele dingen’

Drie jaar geleden had ik niet gedacht 
ooit zo open over mijn depressieve gevoelens te kunnen praten. Vandaag kom ik ervoor uit. Ik wil niet langer liegen. Geen masker meer dragen. Ik wil laten weten dat mensen die aan de oppervlakte gelukkig lijken, ondertussen in een vreselijke strijd met zichzelf verwikkeld kunnen zijn. Ik heb moeite met de reacties rondom depressies en ook zelfdoding. Vaak wordt er een stempel op gedrukt: het is zwak, een makkelijke uitweg. Het is weglopen voor problemen of aandacht vragen. Ik zou tegen iedereen die dit denkt willen zeggen: voor zelfmoord kies je niet zomaar. Er gaat een heel lange weg aan vooraf, waarbij je op een punt komt dat je geen andere uitweg meer ziet. En als je die gedachte eenmaal hebt, wordt alles om je heen wazig. Niets kan je meer schelen, je gaat er toch een einde aan maken. Misschien kan ik iemand helpen door mijn verhaal te delen. Door het taboe op depressies te doorbreken en te laten zien dat het niet altijd zo perfect is en je niet de enige bent. Ik wil anderen in dezelfde situatie als ik laten weten dat ze niet alleen zijn. Als ik maar één iemand kan helpen, dan is het al de moeite waard geweest.’

Dit artikel is afkomstig uit VIVA 8-2018. Abonnee worden of een losse editie van VIVA bestellen? Klik hieronder:

»Bestel VIVA online | Klik hier «