Gaat onze liefde voor huisdieren te ver?

Vroeger was een dier om op te eten óf vervangbaar gezelschap. Nee, dan nu. We huilen publiekelijk om de overleden hond en spenderen een jaarsalaris aan de zieke kat. Gaat onze dierenliefde niet een tikje te ver?

Tekst: Sarah Sluimer | Beeld: GettyImages

Poes Tommie woonde in de nachtwinkel. De schele kijkers die van achter blikken tomatensoep naar me loerden, de pootjes die uitgleden op de stenen vloer als hij 
zijn zusjes achterna zat. Het was niet te voorkomen: hij moest bij ons komen wonen. Niet veel later volgde, op advies van de dierenarts, een klein rood vriendje. We noemden hem Nino. Nu zijn mijn avonden gevuld met het eindeloze aaien van glanzende vachtjes, het kriebelen tussen puntoren, het wrijven van mijn wang tegen de witte buikjes. En werkelijk: de oxytocine brandt soms gaten in mijn hart. Wat een genot, twee van die pluizenballen die zich gewillig aan je overgeven. Een uurtje knuffelen en klein verdriet ebt weg, woede verdwijnt en stress wordt geparkeerd. En 
dat niet alleen: het is zo simpel om van ze te houden. Ze zeggen geen nee, ze vertellen je niet op een dag dat ze je een gênante ouwe lul vinden, voor hen maakt het niet uit hoe je eruitziet. Hun liefde lijkt onvoorwaardelijk. En dan zijn de stappen naar full blown poezenvrouwtje snel gezet. Op een dag vind je jezelf terug terwijl je minutieus de conditie van hun vacht checkt en je je hardop zorgen maakt om een niesje. Niet lang daarna denk je opeens: die katten leven waarschijnlijk nog als de kinderen op kamers gaan. En dan ben je nog maar één centimeter verwijderd van de absolute overgave: dat Tommie en Nino volwaardige gezinsleden zijn. Behalve dat laatste dan. Want een kat als familie zien, nee. Misschien heeft het ermee te maken dat ik ben opgegroeid op het platteland. Mijn katten vielen bij bosjes. Waren het geen auto’s, dan was het een boze buurman met rattengif en anders liepen ze wel weg over het ijs. De dierenarts uit het dorp werkte ook niet mee. Ons zieke schaap kreeg een goeie neut van hem geadviseerd en struikelde pardoes de sloot in. En het allerergste: een van onze katers castreerde hij door simpelweg zijn ballen eraf te trekken, terwijl wij onwetend in de wachtkamer zaten. Als een dierenarts nu zoiets zou flikken, is het land te klein. Maar in de jaren negentig was er voor veel mensen nog geen sprake van om überhaupt meer dan een paar honderd gulden aan een ziek beest uit te geven. Nuchterheid overheerste. Als bij ons een kuiken niet helemaal lekker uit het ei kwam, draaide mijn vader hem eigenhandig de nek om. In onze schuur hingen in de herfst hazen die de buurman had geschoten aan haken te besterven. Er werden zeker hete tranen gehuild toen onze hond Towser op zeventienjarige leeftijd een spuitje kreeg, maar de nieuwe hond arriveerde wel twee maanden later. Van een rouwperiode was geen sprake. Een dier is óf lekker óf vervangbaar gezelschap, zo was het credo.

Selectieve liefde

Maar de tijden zijn veranderd. Allereerst worden we ons steeds bewuster van het feit dat we de afgelopen honderden jaren niet 
al te best met dieren zijn omgesprongen. De Partij voor de Dieren heeft inmiddels vijf zetels in de Tweede Kamer. En de vegetariër is al lang geen uitzondering meer in je vriendengroep. Sterker nog: de kans dat je de laatste jaren zelf geen vlees meer eet of bent gaan minderen, is aanwezig. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau is momenteel 4,5 procent van de Nederlanders vegetariër, maar eet twee op de drie Nederlanders niet langer dagelijks vlees. Toch zijn dit natuurlijk geen cijfers die zoden aan de dijk zetten. Rutger Bregman stelt in De Correspondent dat wij volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties wereldwijd 65 miljard dieren per jaar eten. Ter vergelijking: in de geschiedenis van de mensheid zijn er naar schatting 110 miljard mensen in totaal geboren. En dat is niet alles. We gaan ook nog eens monsterlijk met dieren om. Volgens Scientific American zijn bijvoorbeeld varkens empathische, nieuwsgierige wezens die in staat zijn tot verdriet en gemis. Zo hebben ze behoefte aan een moeder, herkennen ze zichzelf binnen korte tijd in een spiegel en maken ze vrienden. 
En die dieren worden, volgens deze zomer geopenbaarde rapporten van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, in onze slachthuizen levend gevild of levend 
gekookt in een heet bad. En om het nog erger te maken: dat varken eten we gedachteloos op, terwijl we voor onze overleden dwergpoedel Lucky een altaar in huis hebben waarop een verzilverde urn met zijn as rust. Voor het zover was, heeft hij voor duizenden euro’s aan chemokuren gekregen en hebben we maandenlang met de angst om het hart toegekeken hoe hij steeds minder van zijn holistische hondenvoer – met varken – at.

Diepe rouw

De liefde voor het huisdier wordt steeds uitbundiger gevierd. Het is al lang niet gek meer om talloze verdrietige Facebookposts te wijden aan een overleden konijn, om de kerstkaarten te ondertekenen met ‘Woefie’ of om een half jaarsalaris aan een ziek huisdier te spenderen. Sterker nog: het 
uiten van de liefde voor het dier lijkt een regelrechte trend. Zo verscheen er vorig jaar de bundel Onze dieren, waarin twintig schrijvers zich bogen over de verhouding tot hun huisdier. De katten van Geert Wilders hebben een eigen twitteraccount én kregen een eigen tv-special bij Eva Jinek. En onlangs schreef journaliste Antoinnette Scheulderman Dan neem je toch gewoon een nieuwe, over het dertien maanden durende rouwproces na het verlies van haar teckel Bubbles. Over haar redenen om dit boek te schrijven, zei ze in het AD: ‘Als het goed is, overleef je je huisdier. Maar dat betekent niet dat de dood van een huisdier minder pijnlijk is. Ik vond het verschrikkelijk hoe de omgeving soms reageerde. ‘Ben je nou nóg bezig met je hondje?’ Of: ‘Als je al zo verdrietig bent om een dier, kun je nagaan hoe het voor mij was toen mijn man overleed’. Inderdaad, een soort competitie 
in rouwen.’ Scheulderman is niet de enige die het aandurft om aandacht te vragen 
voor haar verlies. Toen de kat van actrice Georgina Verbaan overleed, wijdde ze een aantal (prachtige) columns aan haar verdriet. Ze schreef: ‘Mijn beste vriend heeft mijn leven gered en ik hoop dat ik heb terugbetaald wat ik van hem gekregen heb. Misschien vond hij dat ik het nu wel alleen kon. Misschien heeft hij me gegeven wat ik nodig had. Misschien dacht hij dat het goed was zo. Maar zo is het niet.’
In Het Parool benadrukt psycholoog 
Nienke Endenburg, die gespecialiseerd is in rouwverwerking bij huisdieren, dat een lang proces van acceptatie om het verlies van een dier veel voorkomt. ‘In Nederland rouwen mensen gemiddeld 8,5 maanden om hun hond of kat. Hoe sterker de band met het dier was, hoe langer het rouwproces duurt. Dieren kunnen bijvoorbeeld een grote steun zijn geweest bij een scheiding of ziekte. Als zo’n dier overlijdt, is het alsof een deel van het gezin of van jezelf wegvalt.’ Ze stelt dat de rouw om een dier absoluut vergelijkbaar is met het rouwen om een mens pleit voor meer begrip bij sceptici. De Britse onderzoeker John Archer, van de Universiteit van Lancashire, concludeerde al in 1997 dat de liefde voor een dier soms zelfs groter kan zijn dan die tussen mensen. Hij stelt dat het dier een vorm van onvoorwaardelijke liefde te bieden heeft die meer bevrediging oplevert dan de – toch vaak aan transformatie onderhevige – band met andere mensen. In andere woorden: je weet altijd wat je aan Fikkie hebt, terwijl je geliefde er opeens vandoor kan gaan met de buurvrouw.

Je trouwste fan

En toch wringt er iets. Allereerst is het contrast wel heel groot binnen een cultuur waarin de gruwelen binnen de bio-industrie nog steeds standaard zijn, maar we tegelijkertijd onze huisdieren als kinderen zien. 
En ja, dat is ook begrijpelijk. Een koe in 
een slachthuis kennen we niet, terwijl poes Simba van kleins af aan op ons voeteneinde slaapt. En hoe graag we het ook allemaal anders zouden willen zien: de mensheid blijkt toch voornamelijk in staat tot empathie als het gaat om wezens die we (leren) kennen. Een voorbeeld: pas toen de twee vluchtelingkinderen Lili en Howick een naam en een stem kregen, vond heel Nederland dat ze hier moesten blijven. 
Aan de andere kant slaat die emotionele incontinentie en empathie soms ook 
een beetje door. Dat heeft allereerst een oorzaak van meer algemene aard. We zijn 
de laatste jaren geneigd om elk verdriet, elke rotdag, elk ongeluk groots te ventileren. Dat doen we in het bijzonder op social media. Het lijkt tegenwoordig soms bijna verboden om dingen voor jezelf te houden. Het resultaat daarvan is een eindeloze stroom aan intieme details die je elke dag op je beeldscherm aan je voorbij ziet trekken. 
Wat men voelt en vindt, is heilig geworden. En hoe kwetsbaarder je verhaal, hoe meer kritiekloze troost en waardering je ontvangt. Misschien vertekent social media op die manier wel relaties tussen mensen. En misschien leidt die cultuur van likes vergaren zo hier en daar ook wel tot een ietwat overdreven behoefte om te worden bewonderd. En welke wezens hebben nooit kritiek en kijken altijd met grote ogen 
naar je op? Juist. Het huisdier, oftewel je trouwste fan. Een huisdier kan, net als een varken in het slachthuis, in staat zijn tot vriendschap. Hij voelt je emoties aan, hij maakt je vrolijk. Maar de liefde van je huisdier is op z’n hoogst kinderlijk te noemen: onschuldig, puur en zoekend naar simpele bevrediging. Mensen hebben ontwikkelde humor. Mensen kunnen je 
heel gedetailleerd vertellen waarom ze je een Lannister vinden en geen Stark. Mensen kunnen je melden dat je soms een ongelooflijke uptight trut bent en juist dát helpt ons verder in het leven. Mensen bieden een ander perspectief. Ze houden van mooie dingen. Ze vinden ananas op een pizza vies en kunnen je precies uitleggen waarom dat zo is. En het belangrijkste: ze transformeren continu, omdat ze blijven leren.

Treurige liefde of zelfliefde?

Ik begrijp heel goed dat je heel veel kunt houden van een dier. Ik probeer de rouw om een hond niet belachelijk te maken. Maar 
ik hoop dat degenen die het verlies van hun kat gelijkstellen aan het verlies van een echtgenoot in de toekomst toch wat meer vertrouwen in de mens zullen krijgen. Het 
is niet gek dat we in een vaak kille wereld troost zoeken bij wezentjes die niets ingewikkelds van ons vragen, maar het heeft ook iets verdrietigs. Want hoe logisch het ook kan zijn dat mensen voor de relatie met hun huisdier kiezen, het zegt zowel iets over jezelf als over deze tijd. Misschien ben je bang geworden voor mensen, misschien realiseer je je niet dat een huisdier afhankelijk van je is en daarom zo veel liefde geeft. Maar laten we eerlijk zijn: juist het feit dat een mens over het algemeen niet thuis op je zit te wachten tot je hem over zijn hoofd aait, maar bewust bepaalt dat hij jou in zijn leven wíl hebben, is toch een van de waardevolste dingen die er bestaan? En als we dan toch bezig zijn, misschien moeten we juist wél iets sentimenteler zijn over de varkens die we vaak zo gedachteloos naar binnen schuiven.
Toch is er ook een aspect waarin de grote liefde voor het dier ons iets moois vertelt. Want terwijl ik dit schrijf, zitten Tommie en Nino elkaar achterna door het huis, waarna ze in elkaars armen belanden. Tommie rolt zich met zijn grote lijf om Nino heen. Ik moet opeens denken aan mijn eerste vriendje. Die leek eigenlijk best op Tommie, zo lang en zo zachtmoedig. En ik lijk eigenlijk best op Nino, zo fel en zo behaagziek. En hoppa, mijn vertederde gedachten slaan op hol. Het zijn toch net mensjes. Het zijn míjn mensjes. Ik hou tot aan het einde der tijden van ze. Tot ik me realiseer: ik hou misschien niet eens van Tommie en Nino. Ik hou van wat ik van mezelf in hen weerspiegeld zie. En dan blijft, ondanks alles, overeind staan: wat is er mis met een beetje zelfliefde?

Op de hoogte blijven van onze leukste artikelen en winacties? Schrijf je in voor de VIVA-nieuwsbrief.