Alkan Çöklü: ‘Ik weet nu dat mijn verdriet er mag zijn’

Alkan Çöklü gaat elke dag fluitend naar de set van GTST. Niet alleen omdat hij zo blij is met zijn rol als vluchteling Amir, maar ook omdat hij dolverliefd is op zijn tegenspeelster Melissa Drost. ‘Ze is mijn droomvrouw.’

Tekst Milou Deelen Foto’s Maaike van Haaster

Je bent sinds een jaar te zien als Afghaanse vluchteling in GTST. Hoe is dat?

‘Ik vind het te gek en een eer om Amir te mogen spelen. In het begin was er veel te doen over mijn rol. Het zou ‘te dicht bij de realiteit’ komen. Ik vind het juist heel positief dat er over dit soort moeilijke thema’s wordt gepraat.’

Je wordt vaker voor buitenlandse rollen gecast. Hoe vind je dat?

‘Ik heb een Turkse achtergrond, dus dat is natuurlijk niet zo gek. Wel vind ik het vervelend dat het vaak gaat om rollen waarin ik een bad guy moet spelen. Van tevoren verontschuldigt men zich dan al, dat het echt toeval is dat juist ik daarvoor word gevraagd. Waarom dan geen blonde jongen met blauwe ogen? Ik vind het tof om te zien dat divers acterend Nederland steeds vaker nee zegt tegen zulke rollen. Het is niet dat ik nooit meer een crimineel wil spelen, maar een crimineel moet ook blond kunnen zijn. En ik wil ook gewoon een advocaat kunnen spelen.’

De liefde voor entertainen zat er bij Alkan als klein jochie al in. Elf jaar was hij toen hij in zijn geboorteplaats Amsterdam op het schoolpodium klom om te dansen op Billie Jean van Michael Jackson. De hele klas lag dubbel van het lachen, maar Alkan had zijn roeping gevonden: ‘Ik had me nog nooit zo vrij gevoeld.’ Hij sloot zich aan bij een jeugdtheatergezelschap en deed op zijn zeventiende auditie voor de Toneelschool, waar hij tot zijn grote verbazing werd aangenomen. ‘Pas toen realiseerde ik me: holy shit, dit kan nog wel eens mijn werk gaan worden.’ Maar het draaide uit op een teleurstelling. Alkan kon zijn draai er totaal niet vinden. ‘Op de Toneelschool word je gedrild. Ik kreeg elke dag te horen wat mijn gebreken waren en daar ging ik op een gegeven moment zelf in geloven. Ik was doodongelukkig en enorm zoekende.’ Na een jaar besloot hij de handdoek in de ring te gooien, zich in te schrijven bij een castingbureau en audities te gaan doen. En toen werd hij gebeld voor een rol in BNNVARA-serie Smeris. ‘Enorm kicken. Mijn talent werd eindelijk gezien.’

Daarna is het snel gegaan. Door je rol in Flikken Rotterdam en nu in GTST was je al op jonge leeftijd heel bekend. Hoe is dat?

‘Soms vergeet ik dat even, dan zie ik mensen kijken en denk ik: hè, waarom kijken ze zo? Dat is nieuw en bizar. Maar ik vind het een zegen dat mensen waarderen wat ik doe, dat is enorm motiverend.’

Je moeder is je grootste fan. Na de scheiding van je ouders bleef jij bij haar wonen. Hoe was dat?

‘Juist omdat mijn vader niet in beeld was, is onze band heel hecht geworden. Mijn moeder is ongelooflijk trots op wat ik doe. Ze kijkt naar alles wat ik doe. Nu ik ouder word, besef ik wel dat ik veel voor haar verborgen heb gehouden. Ik was vijf toen mijn ouders gingen scheiden en heb toen besloten dat het altijd goed met me moest gaan. Als mijn moeder vroeg hoe het ging, zei ik altijd: ‘Het gaat goed, maak je geen zorgen mama.’ Op jonge leeftijd heb ik veel verantwoordelijkheid op mijn schouders gedragen, dat is eenzaam geweest. Nu ik dat zo vertel, merk ik dat het me nog steeds raakt.’

Ben je nu eerlijker tegen haar over je gevoelens?

‘Onze band is door de jaren heen alleen maar sterker geworden, ik zeg het nu tegen haar als het niet goed met me gaat. Dat is een lang proces geweest en dat kunnen we omarmen. Ik weet nu dat mijn verdriet er mag zijn, het lucht juist op om het tegen haar te zeggen als het even niet goed gaat. Mijn moeder heeft me een soort krachtbron gegeven waardoor ik zin heb in het leven. 
Ik weet dat het oké is om je niet altijd even senang te voelen, maar je moet ook leren om ruimte te maken voor iets positievers.’

Het hele interview met Alkan Çöklü komt uit VIVA 22. Deze editie kan je hieronder via Blendle online lezen.

»HET HELE ARTIKEL LEES JE HIER OP BLENDLE «