Birgit: ‘De wodka verstopte ik in de draagzak zodra er iemand langs kwam lopen’

In haar studententijd was Birgit (35) al een stevige innemer. Maar als ze thuiszit met een huilbaby, pakt ze het drinken weer op. Stiekem. ‘Overal had ik alcohol verstopt.’

Tekst: Vivienne Groenewoud | Beeld: Stocksy

‘Ik vergeleek mezelf soms met een eekhoorn. Zoals dat diertje nootjes verzamelt en verstopt voor slechtere tijden deed ik dat ook. Maar dan met alcohol. In alle hoeken en gaten die ik maar kon bedenken lagen flessen. Onder de matras van ons logeerbed. Tussen de kussens van de bank. Achter mijn computerscherm, waar niemand het kon zien. Onder de autostoel. Zelfs in de luieremmer van onze dochter. Vroeger was ik een stoer meisje. Ik groeide op met drie broers en deed niet voor ze onder met voetballen en bomen klimmen. En later ook niet met drinken. Ik zie nu in dat mijn vader een alcoholist was. Maar omdat hij een goede baan had als advocaat en maar zaken bleef winnen, wist hij dat lang voor ons verborgen te houden. Mijn moeder was de grote afwezige in het gezinsleven. Ze was depressief en zat vaak weken achter elkaar in een kliniek. Als ze wel thuis was, sloot ze zich af voor haar omgeving. Ze leefde in haar eigen wereld. Ik denk dat drinken voor mijn vader de enige manier was om stoom af te blazen. De stress van zijn drukke baan en de zorg voor vier kinderen was pittig. Dat snapte ik als kind al. Ik zag er geen kwaad in dat hij ’s avonds ontspande met een borrel. Of twee. Of een hele fles. Vaak viel hij in zijn stoel in slaap en legde ik een dekentje over hem heen. Hij was altijd lief voor ons, die grote sterke man, en ik wilde een beetje voor hem zorgen omdat mijn moeder dat niet deed. Later, toen ik zelf rechten ging studeren, sloop het erin dat ik ontspande met drank. Dat hoort natuurlijk ook wel een beetje bij het studentenleven, maar ik merkte al snel dat ik me echt opgefokt voelde als ik een dag niet dronk. Op de een of andere manier had ik enorm veel agressie in me: ik heb zelfs nog een tijdje kickboksen gedaan om te kijken of ik daarmee mijn frustratie kwijt kon raken. Maar het enige wat echt hielp, was de Southern Comfort die ik mezelf inschonk bij thuiskomst. Ik kan me niet herinneren wanneer ik op een normale manier in slaap ben gevallen, zonder alcoholroes. Mijn vader was ontzettend trots dat ik – als enige van zijn vier kinderen – in zijn voetsporen trad. Omdat ik goed bleef presteren tijdens mijn rechtenstudie en later op mijn werk in de maatschap, zag ik het probleem niet. Ik functioneerde prima, had een leuk sociaal leven en ach, ik hield van een borrel, so what? De enige periode dat ik minder dronk, was toen Martijn en ik net samen waren. Vanaf het moment dat ik hem voor het eerst zag – uiteraard in de kroeg – was het raak. Ik had me nooit willen binden, maar met hem was het anders. We waren soulmates, allebei hoogopgeleid en dol op het bourgondische leven. Work hard, play hard was ons gezamenlijke motto. Al snel woonden we samen. Het leek Martijn een goed idee om wat gezonder te gaan leven. Wat ook inhield: minder naar de kroeg. De eerste twee jaar lukte het om me te beperken tot één of twee glazen op een avond. Zie je wel, dacht ik, dit was wat ik nodig had. Bij Martijn kwam ik tot rust. Ik was gelukkig. Vooral toen ik in verwachting bleek te zijn. Het was niet gepland, ironisch genoeg is Lotje het resultaat van een warme zomeravond met te veel witte wijn. Maar we waren dolblij met deze zwangerschap. Ik zou een heel andere moeder worden dan de mijne, nam ik me voor. Ik zou er wél zijn voor mijn kind. En dan niet alleen fysiek, maar met mijn hele wezen.’

Knuffelen met een kegel

‘Mijn hele zwangerschap raakte ik geen alcohol aan en ik was vastbesloten dat vol te houden nadat ons kind was geboren. Maar Lotje bleek een huilbaby. In plaats van op een roze wolk zat ik in een dichte mist. Ik had een aantal maanden ouderschapsverlof opgenomen en Martijn werkte lange dagen als veearts. Dag in dag uit zat ik alleen thuis met een krijsende baby. Al snel groeide het me boven het hoofd en begon ik ‘als troost’ een drankje in te schenken tijdens de lange uren waarin ik wachtte op Martijn. Maar als dochter van een alcoholist blijft het moeilijk om het bij één glas te laten. Voor mij is het alles of niets. ‘Zo schatje, jij hebt je flesje, dan neemt mammie ook een flesje,’ babbelde ik tegen mijn dochter. Ik ben zelfs weleens met Lotje in de draagzak naar de slijter gegaan om een nieuwe fles wodka te halen. Wodka is fijn omdat je het niet ruikt. Op de terugweg had ik voor ik het wist al een paar slokken genomen. De fles frommelde ik in de draagzak zodra er een iemand aan kwam lopen. Ik kan de keren niet meer tellen dat ik Martijn knuffelde als hij thuiskwam en krampachtig probeerde niet uit te ademen om te voorkomen dat hij mijn kegel zou ruiken. Omdat ik een zogeheten ‘hoog functionerende alcoholist’ ben, wist ik mijn drankgebruik prima verborgen te houden voor mijn omgeving. Mijn dochtertje was goed gevoed, had mooie, schone kleren aan en elke behoefte die ze maar had, werd vervuld. Drinken deed ik alleen. Zelfs de weinige keren dat er vrienden over de vloer kwamen, hield ik het keurig bij mijn spaatje met citroen. Maat- houden was geen optie, of zoals ik altijd zei: ‘Eén martini is precies goed. Twee zijn er te veel en drie nooit genoeg’. De flessen verstopte ik en bracht ik overdag, als Martijn naar zijn werk was, snel naar de glasbak. Toen Lotje wat groter werd en ik weer begon te werken, werd het nog erger. Elke avond zag ik huizenhoog op tegen de tredmolen waar ik ’s ochtends weer in moest springen. Opstaan, Lotje voeden – want Martijn vertrekt al om half zeven – haar naar het kinderdagverblijf brengen, doorrijden naar mijn werk, Lotje weer ophalen, een gezonde maaltijd voor haar koken en vervolgens het complete bad- en bedritueel afdraaien. Tegen de tijd dat ik het hele programma had afgewerkt, snakte ik naar een drankje. En tussendoor was mijn zakflacon nooit ver weg. Ik wist geen andere manier om de continu draaiende gedachtestroom in mijn hoofd het zwijgen op te leggen. Het was misschien ook wel een kwestie van eer: Martijn zag me als een soort supervrouw die alle ballen op een wonderbaarlijke manier in de lucht hield. Ik wilde geen afbreuk doen aan dat beeld. Dat lukte prima, want ik was gestopt met communiceren, behalve dan over werk en de boodschappen. Martijn dacht dat ik vroeg naar bed ging omdat ik moe was, maar eigenlijk wilde ik gewoon alleen zijn. In bed, met mijn fles onder het dekbed verstopt zodat ik even niet hoefde te denken.’

Erger dan mijn eigen moeder

‘Op een van die avonden dreef ik weer eens langzaam weg op mijn drankwolk toen ik een zacht stemmetje hoorde. Lotje, die vanuit haar bedje duidelijk ‘Mama’ riep. Haar eerste woordje. Rationeel wist ik dat dit een bijzonder moment was. Maar het rare was: ik vóelde het niet. Ik voelde alleen maar irritatie. Eigenlijk wilde ik dat ze gewoon ging slapen zodat ik weer verder kon met wat ik aan het doen was: drinken. Dat moment was een eyeopener. Ik was helemaal geen andere moeder dan de moeder die ik zelf had gehad. Ik was erger. Mijn moeder kon er niets aan doen dat ze depressief was. Ik koos er elke dag opnieuw voor er niet voor de volle honderd procent voor mijn kind te zijn. Was dit hoe ik het wilde? Mijn kind opjagen om te gaan slapen zodat ik op de bank kon hangen en me lam kon zuipen? Mijn man buitensluiten omdat ik liever mijn relatie met de fles in stand hield dan met hem? Ik wilde dit niet meer. Rigoureus spoelde ik alle in huis aanwezige drank door de gootsteen. Want hard voor mezelf zijn, dat kan ik. Ik heb nu drie weken niets gedronken. Ja, dat is moeilijk. En nee, ik vind het niet fijn om midden in de nacht wakker te schrikken bij elk kuchje of zuchtje. En ik weet nog niet hoe ik aan Martijn op moet biechten dat ik het allemaal lang niet zo goed aankan als hij denkt. Ik zie ertegenop zijn beeld van de perfecte vrouw te laten instorten. Ik heb nog een lange weg te gaan. Alcohol haalde overal de scherpe randjes af. Ik ben hyper, ontzettend nerveus en worstel met schuldgevoelens. Het zou zo makkelijk zijn om dat allemaal te laten verdwijnen. Maar één ding is me meer waard dan alle flessen sauvignon blanc bij elkaar: dat Lotje een stabiele moeder heeft. Een moeder die, zodra haar kind haar nodig heeft, met de volle aandacht bij haar is, zonder stemmingswisselingen of afkickverschijnselen. Een kind opvoeden is vóórleven, dat is een les die ik van heel dichtbij heb geleerd. Daarom wil ik het roer omgooien, voordat het te laat is.’

Op de hoogte blijven van onze leukste artikelen en winacties? Schrijf je in voor de VIVA-nieuwsbrief.