Fleurs column: Vragen aan Jezus

Ik dwaalde door de hal van het Binnenhof en was een beetje droef. Dat ben ik wel vaker als ik net een interview heb gehad, zoals ook nu het geval was. Ik wilde eigenlijk terug de lift in, naar boven, naar de werkkamer van Jesse Klaver en zeggen: “Joe, hee,
 ja hoi, ben ik weer. Ik weet dat ik net meer dan een uur tegenover je heb gezeten, maar ik neem aan dat jij ook wel beseft dat ik me natuurlijk wel een beetje heb laten inpakken, hè. Ja jij, met die glanzende puppyogen, je prachtige Obama-idealen en je ik-ben-een-gezellige-Brabantse-flapuit-act. Waar ik dus niet ben ingetrapt, hè, nee, dat léék alleen maar zo. Dus ik ga nog even kritisch terugkomen op een paar dingetjes die ik heb laten liggen, als je het niet erg vindt. Meta-niveautje, beetje Bibeb, vleugje Pauw; niks geks verder.”

Natuurlijk stierf ik liever een riant aantal doden dan dat ik die lift weer in ging. Dit is vooral om de tragiek van de interviewer aan te geven. Dat pas ná het gesprek, vers uit de bubbel, de allerbeste vragen door je hoofd schieten. En de wetenschap dat het allerergste nog moet komen: het uitwerken van de band. Meer dan een uur je eigen Noord-Hollandse keelklanken aanhoren, die veel te vaak onderbreken of ergens als een hengstige merrie doorheen 
hin-niken. Enfin. Het is een rotvak, mensen, begin 
er nooit aan.
Ik zwaaide nog even naar de vriendelijke douanemensen en ineens stond ik weer buiten. In een drukke winkelstraat, waar het felle zonlicht in mijn ogen prikte. Ik stond even stil, nog wat ontheemd, toen 
een lang, Magere Hein-achtig silhouet mijn kant op kwam lopen. “Mevrouw, mevrouw! Mag ik u alstublieft iets vragen? Het duurt maar héél even.” Zijn stem klonk vreemd hoog en zangerig, zijn ogen hadden een staalblauwe kleur. Dit kon maar één ding betekenen, en ja hoor, er stond inderdaad ‘JEZUS IS BIJ MIJ’ op zijn T-shirt. Naast hem stond een schutterig jongetje, hooguit vier, met precies zo’n zelfde shirt. Het zou niet lang duren voordat hij ook zo’n stem en zulke ogen kreeg, zo gaat dat als je de Heilige Geest er maar hard genoeg krijgt ingewreven.

Tot mijn verbazing hoorde ik mezelf ‘Ja hoor’, zeggen. Geen idee waarom, want ik had geen kracht meer om nu zelf ook nog geïnterviewd te worden, laat staan op metafysisch niveau.
“Gelooft u in God, mevrouw?” Sterke openingsvraag. “Eh, nee. Ja. Nou. Ja. Nee.” Deze dag was niet meer te redden, dat geloofde ik wel. “Ik bedoel: nee. Ik geloof niet in een dogmatische God.” Welja.
Hij keek me niet-begrijpend aan, glijerige glimlach nog intact, en zei: “U kunt altijd met Jezus praten, 
mevrouw. Jezus luistert altijd naar u. U kunt alles aan hem vragen.”
“Aha,” zei ik. “Dat is goed om te weten.” Ik liep verder, terwijl hij me nog een kaartje in de hand drukte en riep dat Jezus op mij wachtte. Maar ik dacht gewoon weer aan alles wat ik Jesse Klaver nog wilde vragen. Misschien luisterde hij wel. Die GroenLinks-Jezus.


VIVA-journalist Fleur Meijer (35) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Je kunt het blad hier online bestellen.

fleur.meijer@sanoma.com
Twitter: @lafleurfatale

Lees meer columns van Fleur:

Leegtes
De restjes van Ada
Volkomen imperfect
Hollandse hypocriet
De Kong in Hong Kong
Katastrofe
Katastrofe (2)
Wijvengedrag
Clichébingokaravaan
Plexit
Wegwijsman
Kattenvrouwtjes
Soepele lendenen
Tatoeaties
Treinleed