Ex-turnsters Lizanne en Anouk Jong over het misbruik in de turnwereld: ‘We waren als de dood voor hem’ (uit het magazine)

turnen misbruik

Tientallen turnsters treden onder de hashtag #dossierturnmisbruik naar buiten na de schuldbekentenis van turncoach Gerrit Beltman over zijn wangedrag. Ook Lizanne en Anouk Jong leden onder de mishandeling van Beltman en andere trainers.

Anouk: ‘Tien en twaalf waren we, toen Gerrit Beltman onze trainer werd. Daarvoor hadden we een andere coach: Sjaak Kalverboer. Hij was streng, maar ging daarbij nooit een grens over. Hij had geen geduld voor krokodillentranen, maar was nooit kleinerend. En hij was verantwoordelijk; hij stuurde je naar het ziekenhuis als je geblesseerd was. In de zomer kregen we een ijsje of werd een barbeque georganiseerd en dan werd niet gekeken naar wat of hoeveel je at. Toen Beltman binnenkwam, sloeg de sfeer direct om. Hij was een beroemde coach in turnland. Hij straalde een soort macht uit, op een nare manier. Alsof er een donderwolk binnenkwam. Sjaak Kalverboer wilde Beltman naar de club halen om nog betere prestaties te kunnen behalen. In het begin was Beltman redelijk mild, maar al snel werden de regels strenger. We mochten niet meer met elkaar praten of zelfs maar naar elkaar kijken. Waar we eerst altijd mochten beginnen met de beginbeweging van een nieuwe oefening en daarop verder konden bouwen, moesten we nu meteen de hele oefening doen, ook als je je daar nog niet klaar voor voelde. Al heel snel kregen we last van angsten. Natuurlijk: voor topsport moet je iets overhebben. Veel trainen, mentaal sterk zijn en dingen opgeven die andere kinderen van je leeftijd wel doen. Maar voor turnen moet je ook elke dag je angsten overwinnen. Het is een risicovolle sport, een coach moet jou zelfvertrouwen geven, en je moet hem als turnster volledig kunnen vertrouwen. Iedereen deed wat Beltman zei, maar wat er vanbinnen met ons gebeurde, was niet goed.

Soms was je bang voor bepaalde elementen, zoals salto’s op de balk. Toch moest je dan net zo lang op de balk blijven, totdat je het deed. Ook al was dat drie uur lang. Beltman deed gewoon het licht uit, iedereen ging naar huis en daar stond je dan: met je handen omhoog, stijf, koud en met stippen van uitputting en duizeligheid voor je ogen. Uiteindelijk deed je het dan maar. Een keer was Sjaak Kalverboer erbij toen dit gebeurde. Hij zei toen: ‘Kom er maar af.’ Beltman werd toen ontzettend kwaad. Ik wist dat ik het de volgende dag extra voor mijn kiezen zou krijgen.

Waarom we thuis niets zeiden? Als kind leer je nieuwe dingen in situaties die je niet kunt vergelijken, omdat het de eerste keer is dat je ze meemaakt. Ook al zijn de dingen die gebeuren slecht, je denkt als kind dat het normaal is. Als je wordt verteld dat iedereen zo wordt behandeld, neem je dat aan. Pas als je ouder wordt, begin je te merken dat dingen niet kloppen. Maar dan ben je al zo bang gemaakt, dat je er niks meer van durft te zeggen. Doe je wel je mond open? Dan heeft dat negatieve gevolgen. Voor jou, en voor je carrière. Op een gegeven moment had Beltman bedacht dat we op een drieweekse trainingsstage moesten. In onze eigen turnhal. Van spaanplaat werd een soort hok gebouwd waarin matrassen uit de turnhal en bedden van de rommelmarkt werden gezet. Gedurende die weken mochten we onze ouders niet zien. We mochten eens per week bellen, waar Beltman bij stond, en dat was het dan.’

In bed plassen en in broek poepen

Lizanne: ‘Als we in bed lagen, mochten we niet meer naar de wc. Ik moest een keer heel nodig plassen, maar daarvoor moest ik langs het bed van Beltman. Toen ik langs hem heen probeerde te sluipen, draaide hij zich om en rende ik heel snel terug. We waren zo bang voor hem dat we uiteindelijk maar in ons bed plasten en ons matras vervolgens omdraaiden. We mochten bijna niets eten, dus vaak aten we maar een pakje kauwgom om wat smaak in onze mond te hebben. Daar kreeg je diarree van, maar daar viel je dan tenminste nog van af. We kregen groente, een halve aardappel en een soepballetje. Ik weet dat mijn zus zo’n honger had dat ze ’s nachts stiekem pizzakorsten uit de prullenbak at, die de coaches hadden weggegooid. We waren als de dood voor Gerrit. Hij ging steeds vaker dingen gooien, zelfs stoelen. Of hij tikte in je knieholte als je op de balk stond, zodat je viel en hij vervolgens tegen je kon schreeuwen dat je eens met je poten op die balk moest blijven staan. Een meisje met Aziatisch uiterlijk werd uitgescholden: ‘Je ziet zeker niets met die spleetogen’. Het overkomt niet alleen jou, maar je bent er ook getuige van dat je anderen letterlijk in hun broek ziet poepen van angst, en dat je dan alleen maar denkt: gelukkig ben ik het niet.

Anouk: ‘Op een dag zat ik in de auto met een andere turnster te praten. We hadden het erover dat het wel heftig was dat de coach een stoel had gegooid en mij van de balk had geduwd. Mijn moeder ving dit op en eiste toen dat ik alles zou vertellen. Zo kwam ze erachter dat het voor ons de normale gang van zaken was. Mijn moeder besloot ons direct bij Gerrit weg te halen. Ook dat vonden we doodeng. Hij had ooit gezegd: ‘Als jullie bij me weggaan, zorg ik dat jullie internationaal nooit doorbreken’ en hij heeft er ook alles aan gedaan om ons te saboteren.’

Lizanne: ‘Ik wilde eigenlijk sowieso al stoppen. Ik hoopte zelfs dat ik echt goed geblesseerd zou raken. Desnoods zodat ik in een rolstoel zou komen. Bizar, dat ik zelfs dat vooruitzicht verkoos dan verder te moeten trainen met Gerrit Beltman. Niet lang daarna werden we gebeld door een andere trainer, Marc de Wit. Hij had gehoord dat we waren gestopt en wilde ons graag trainen. Hij beloofde ons te beschermen tegen Beltman. Door hem kregen we ons zelfvertrouwen en het plezier in turnen terug.’

Opgezet tegen zusje

Lizanne: ‘Maar uiteindelijk sloop het misbruik er toch weer in. Gerrit was een bullebak, maar Marc was slim. Dat maakte hem gevaarlijker. Hij speelde op je geest in en pakte je op je zwakke plekken. Hij begon te dreigen. Dingen als ‘Zal ik Gerrit Beltman erbij halen?’ Hij wist hoe hij je bang kon maken én hoe hij je kon stimuleren. Anouk met complimenten, mij met kleineren. Als er een weegmoment was, renden alle meiden naar de kleedkamer om te plassen en hun speldjes uit te doen. Op mijn achtste woog ik 24,6 kilo en kreeg op mijn kop omdat ik was aangekomen. We werden steeds vaker gewogen, soms wel vier keer per dag. Ik ontwikkelde daardoor een eetstoornis. Anouk at thuis wel normaal, maar mijn moeder begon te controleren of ik wel genoeg at. Dan legde ik broodkruimels op de plank, haalde een mes door de smeerworst, en pakte een stuk keukenrol
in als een broodje zodat mijn moeder dacht dat ik een broodje had gesmeerd.’

Anouk: ‘Marc zorgde er in eerste instantie voor dat ik weer zelfvertrouwen kreeg en steeds mondiger werd. Zijn manier van trainen werkte technisch gezien heel goed voor mij en ik werd steeds beter als turnster. Ik was na een paar jaar zijn enige senior turnster en daarom belangrijk voor hem. Ik deed altijd mijn uiterste best om voor de jongere turnsters te zorgen. Tijdens trainingsstages kocht ik eten voor ze als we weer uitgehongerd werden. Ik heb zelfs een keer de weegschaal stukgegooid tegen de muur, zodat niemand meer kon wegen. Ik zorgde dus voor iedereen, behalve voor mijn eigen zusje. Mijn coach zorgde ervoor dat ik mezelf erg belangrijk voelde en hij sprak zeer negatief over Lizanne. Zij was dom, niks waard, een verstoring voor mijn ontwikkeling. Ze moest uit mijn buurt blijven en ik mocht niet met haar praten. Ik vond het in het begin heel erg en geloofde hem niet, maar na maanden op mij inpraten had hij mij in zijn macht en zag ik zelf niet wat ik aan het doen was. We werden als turnsters vaker tegen elkaar opgezet, maar het is in ons geval extra erg, omdat we zussen zijn en niet alleen in de turnhal samen waren, maar ook thuis, waardoor de schade voor Lizanne steeds groter werd. Ik weet dat ik gemanipuleerd werd om me zo tegen haar te gedragen, maar toch vergeef ik het mezelf nooit. Het vertrouwen dat we als zussen in elkaar zouden moeten hebben, is in onze puberteit kapot gemaakt. Tot op de dag van vandaag zijn er weleens moeilijke situaties, waarbij ik het gevoel heb dat ik Lizanne ervan moet overtuigen dat ik iets wat ik zeg écht goed bedoel. Dat ze me kan vertrouwen en ik de beste intenties heb. Gelukkig heeft het ons uiteindelijk niet uit elkaar gedreven. We zijn als kinderen altijd onafscheidelijk geweest en ik ben blij dat de band die we toen hebben opgebouwd niet volledig kapot gemaakt kon worden. Maar wat er gebeurd is, maakt me nog heel vaak erg verdrietig.’

Op het hoofd gevallen

Lizanne: ‘Anouk en ik hadden continu ruzie, ook thuis. Als ze tegen me praatte, hoorde ik letterlijk mijn trainer. Het was heel dubbel: ik keek heel erg tegen haar op. Zij was tenslotte de ster, maar tegelijkertijd deed ze ontzettend naar tegen mij. Toen ik op mijn vijftiende stopte met turnen, werd het nog vervelender. Ik werd wat zwaarder en zij had nog een sixpack. De onzekerheid die ik daardoor voelde, wreef ze er extra in. Ik vind het nog steeds pijnlijk om aan die periode terug te denken, maar ik weet ook dat ze was gebrainwasht. Ze had zelf heel lang niet door hoe naar ze tegen me deed, totdat we op dezelfde opleiding terecht kwamen en anderen opmerkingen begonnen te maken als ‘Wat doe je gemeen tegen je zusje.’ Toen gingen haar ogen open.

Anouk: ‘Uiteindelijk stopte mijn carrière op mijn achttiende door een ongeval. Tijdens een nieuwe, moeilijke sprong heb ik waarschijnlijk een black-out gekregen en ben ik hard op mijn hoofd gevallen. Ik had mijn nek al eens gekneusd, maar dit voelde heftiger. Marc reageerde boos. ‘Wegwezen daar!’ riep hij toen ik op de mat bleef liggen. ‘De volgende moet springen!’ Hij weigerde een ambulance te bellen ondanks de extreme pijn in mijn nek. Een andere sporter heeft me uiteindelijk naar het ziekenhuis gebracht. Uit een scan bleek dat ik twee nekwervels had gebroken en een ruggenwervel had gescheurd. Mijn spieren waren echter zo verkrampt van de stress dat ik een soort natuurlijke nekkraag had, die waarschijnlijk mijn redding is geweest. Marc vond het erg, maar vond dat ik best nog kon turnen. En ik moest vooral niet te veel eten in het ziekenhuis. Toen ik weer thuis was, kwam een bestuurslid van de bond langs met een bloemetje. Hij verzocht ons niet aan de pers te melden dat ik mijn nek had gebroken, want dat zou het imago van de turnsport schaden. Inmiddels kan ik in het dagelijks leven fysiek gezien redelijk functioneren, maar er is te veel schade om nog te kunnen sporten.’

Lizanne (35, links op de foto)
/ Grafisch vormgever en illustrator

/ Nederlands kampioen, deelname aan verschillende interlands, WK team 1999 en was lid van het Nederlands Olympisch turnteam voor de Spelen in 2000.

Anouk (38)
/ fotograaf, grafisch vormgever en ondernemer

/ Nederlands kampioen, nam deel aan worldcups en interlands, EK 1998 en EK 2000, WK team 1999, Open Oostenrijks kampioen 1999 en was lid van het Nederlands Olympisch turnteam voor de Spelen in 2000.

Lees ook: Wendy ruilde haar smartphone in voor een oude Nokia: ‘Het was de beste beslissing van mijn leven’

Lees het verhaal verder in VIVA-35. Wist je dat je de nieuwste VIVA ook als losse editie heel makkelijk kunt bestellen via deze link

»BESTEL VIVA ONLINE | KLIK HIER«

Tekst: Vivienne Groenewoud | Foto’s: Yasmijn Tan