Fleurs column: Arbeid

Tuinieren: kent u die uitdrukking? Welnu, ik tot voor kort niet. Ik hoopte dat het iets was met het liefdevol instoppen van de schitterendste flora die het God in al zijn oneindige goedheid behaagd had te scheppen. Iets met loom neuriënd vanonder een flapperhoed (zo een die witte puntjes zonlicht op je schouders laat dansen) een bedje van aarde maken voor nieuw, veelkleurig leven in de tuin. En dat ik daarna eindelijk iets zou begrijpen van Marjolein Bastin en mindfulness. Tja. Soms moet een mens zichzelf nou eenmaal leugens vertellen om iets gedaan te krijgen.

En er moest zo langzamerhand echt iets aan de tuin gedaan worden. Het was inmiddels een dik jaar geleden dat een Mannetje de tuin opnieuw had aangelegd met, zoals dat heet in vakjargon, twee mooie terrassies met een lekker tegeltje in wild-verband. Hij had daarbij ook twee mooie perkies gemaakt met antracietkleurige opsluitbandjes, en het enige wat ik nu nog effe moest doen, was een paar struikies, bloemetjes en boompies erin gooien.  Nou, en dat moest ik nu dan maar eens effe gaan doen hè, met die labbekakkerige handjes van me.

Dus ik voor de eerste keer in mijn leven naar een tuincentrum. Voor de zekerheid had ik een vriend met een volkstuin meegenomen, die zo ongeveer van alle flora Gods weet wat ermee te doen. En och, als ik had geweten hoe fijn het is in een tuincentrum, had ik het wel eerder gedaan. In diepe bewondering liep ik met een grote kar achter hem aan, terwijl hij het ene na de andere gebladerte in de kar wierp. Een cox orange-appelboompje, gouden regen, bessen- en frambozenstruiken, en heel veel mooie andere dingesen met dingesnamen in Latijn.

‘Het enige wat ik nog effe moest doen, was struikies, bloemetjes en boompies erin gooien’

En dat zou straks allemaal in míjn tuin tot wasdom komen? Marjolein Bastin en mindfulness waren nog nooit zo dichtbij. Er kwamen zakken potgrond en tuinaarde bij, potten, kruiden, koeienmestkorrels. “En een gieter!” riep ik. “Heb je die dan niet?” sprak de vriend met volkstuin geschokt. “Nee,” zei ik, en ik hield een grote paarse omhoog. “Maar nu wel!” De hele rit naar huis dacht ik al neuriënd aan flapperhoeden.

De vriend met volkstuin was zo aardig om de edele kunst van het planten een paar keer voor te doen. Het kwam neer op een plant in een gat zetten en toedekken met potgrond.
“Je moet de boel hier nog wel een beetje afgraven,” zei hij toen hij wegging. “Er ligt te veel zand.” “Got it!” riep ik. “Godver!” riep ik even later. “Krijg nou de pestpokkegangreen-
tyfustering!” gillesdelatouretterde ik 
nog even later.

Tja. Ik hoopte gewoon dat er bij het afgraven níet dertig bakstenen uit de grond naar boven kwamen. Dat ik níet hard achterover zou vallen bij het grommend losrukken van al die bakstenen. Dat een van die bakstenen níet nog harder op mijn teen zou vallen. Dat ik nu níet vijftien zakken loodzwaar zand moet gaan afvoeren. Dat ik nu níet onder de wonden en blaren zou zitten. Maar de flora, die staat er werkelijk prachtig bij. En dat is ze geraden ook.


VIVA-journalist Fleur Meijer (35) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Lees meer columns van Fleur:

Hallo
God en Elvis
Bedankt, rossige clown
Der club
Henk
Jazz
Weemoed
Schnapps und tabletten
Freelancen
Beautybloggers
Rauw
Logeren
Koken
WC