Fleurs column: Brugge

fleurs column

Ik was in Brugge en ik wilde er wonen. Dat denk ik overigens in elke Vlaamse stad, maar in Brugge wist ik het zéker. Brugge is voor mij het stadsequivalent van een nest jonge poesjes: zo schattig en vredig dat het onmogelijk is niet continu te kirren en te tsjilpen.

Zodra je de stadspoort onderdoor gaat, stap je zo een prentenboek van Anton Pieck binnen en wordt het leven ineens een stuk mooier en eenvoudiger. Wat een heerlijkheid was het bijvoorbeeld om werkelijk geen één baristabar, sapsalon of designgrill met inwonende tattoobaard te zien. Nee, in Brugge vinden ze dat koffie met slagroom cappuccino genoeg is, heeft er nog nooit een gojibes de stadsmuur gepasseerd en maken ze hun stoverij niet van Wagyu-rund. Tel daarbij op dat  mensen er vriendelijk zijn in plaats van hip en dat je er de leukste dingen kunt zien ‒  zoals een buisje bloed van niemand minder dan dé Jezus Christus, teder tentoongesteld in een kerknis.

Kortom: ik had genoeg redenen om intens vrolijk tussen de kletterende paardenkoetsjes door te dansen. Maar toch was er iets dat me zorgen baarde. De Kameel en ik waren er namelijk op uitnodiging: een Brugse vriend van hem had een film gemaakt die hier in première ging. Keitof, de max, plezant en dies wat meer zij natuurlijk, maar dat betekende wél dat ik die avond als enige Hollander in een gezelschap van Vlamingen zou verkeren. Goed, de Kameel is officieel ook een Nederlander, maar daar merk je verder niets van omdat die bofferd uit het zuiden komt én een kwart Vlaams bloed heeft. Ik daarentegen stam natuurlijk weer af van generaties vol Friese keuterboeren. Dus mijn G’s zijn hard, mijn volume is hard en tot overmaat van ramp formuleer ik daar ook nog regelmatig luidruchtige meninkjes mee. Dat maakt mij dus exact het soort Hollander dat een beetje Vlaming ongelooflijk ambetant vindt. Wat ik dus koste wat het kost moest zien te voorkomen, want liefde is alleen leuk als het wederkerig is.

Die avond stond ik in de mooie Brugse foyer buitengewoon bedeesd mezelf niet te zijn. Ik dacht aan de woorden van een naar Amsterdam geëmigreerde Vlaamse vriendin: “Blijf rustig en praat niet te veel.” Niet te veel vond ik alleen een wat link begrip, dus ik besloot voor de zekerheid maar helemaal niets te zeggen en alleen mild glimlachend om me heen te kijken.

Had ik toen maar geweten wat ik nu weet. Dat wie niet praat, veel te veel tijd heeft om consumpties (twee euro! twee euro maar!) te drinken bijvoorbeeld. Dat daarmee je opgekropte Hollanderschap alsnog losbarst, met hardere G’s dan ooit tevoren. Dat je aldus onduidelijke monologen en dito liefdesverklaringen in Vlaamse oren begint te schreeuwen, en achtereenvolgens valt op de dansvloer, in de wc en uit de taxi. Dat je de volgende ochtend totaal verdwaasd wakker wordt en langzaam beseft wat je gedaan hebt. En dat je geliefde dit alles kostelijk heeft gevonden, terwijl jij ineens droef moet concluderen dat je nimmer een Vlaming zult zijn.

Ik was in Brugge en ik wilde er wonen. Ik denk alleen niet dat Brugge dat wil.

Fleur Meijer, VIVA redacteur
fleur.meijer@sanoma.com
Twitter: @lafleurfatale

Elke week lees je Fleurs column in VIVA. Het blad online bestellen kan hier.