Fleurs column: Geurcollege

fleurs column

Van alle mysteries in het leven vind ik geur toch wel een van de wonderlijkste. Zo liep ik laatst in een park en werd ik ineens zo’n dertig jaar terug in de tijd geslingerd. Naar de vochtige wijnkelder van een slijterij om precies te zijn, waar ik aan de hand van mijn vader een steile trap af liep. “Maak je maar geen zorgen,” hoorde ik hem nog zeggen, al had ik geen idee waar ik me zorgen over maakte. Het zal die trap zijn geweest. Of, waarschijnlijker, het uiterlijk van de uitbater van de slijterij, die eruitzag als een aan lager wal geraakte Doctor Snuggles met een donkerpaarse drankneus.
En nu liep ik ineens actief te tobben over mijn eigen neus. Die ondanks alle inspanningen gelukkig niet donkerpaars is, maar in een doodgewoon park wel ineens een haarscherpe jeugdherinnering ruikt. Thuisgekomen googelde ik wat rond op ‘geurherinnering’ en vond iets over het limbisch systeem in ons reptielenbrein dat geur, emotie en herinneringen verbindt. Wat allemaal leuk en aardig klonk, maar nog niet verklaarde waarom ik het juist rook op een plek waar toch echt bomen staan in plaats van wijnflessen. Ik ging hier niet uitkomen, besloot ik, en probeerde het hele voorval maar snel te vergeten.
Dat lukte matig. Ineens rook ik aan alles, voor het geval er meer herinneringen zouden losweken. Maar zoals dat wel vaker gaat: als je ergens je best voor doet, gebeurt er helemaal niets. Daarbij kon ik geen enkele geur goed thuisbrengen. Alles rook gewoon zoals het rook.
Gefrustreerd belde ik mijn vriendin Heleen. Want paramilitaire-hasjhonden-nog-aan-toe: díe kan pas ruiken. Ter illustratie: we hadden het ooit over een oudklasgenoot met een onbestendige, doch intens smerige geur. Heleen dacht heel even na, en determineerde drie hoofdcomponenten: “Russische briketten. Vuil paardenhaar. Talg.” Dat was wáár.
“Ik ruik nu aan mijn kat,” snoof ik. “Waar ruiken katten naar? Ik ruik niets.”
“Jawel,” zei Heleen. “Katten ruiken naar versgestoomd dekbed.” Dat was wáár. “En mensen?” vroeg ik. “Is daar wat algemeens over te zeggen?”
“Zeker,” begon ze haar geurcollege. “Baby’s ruiken het allerlekkerst. Die zijn nog vers: zacht, zoet, romig zelfs. Vanaf de kleutertijd beginnen we steeds een beetje meer te stinken. Vers zweet, ijzerdraad, linoleum, systeemplafonds: dat soort dingen. Worden ze puber, dan koekt het zweet aan en ruik je weeïge hormonen – kazig, maar dan rauwmelks – en komt er een soort hondenbrokkenlucht uit hun gezichtsporiën. Daarna krijgt iedereen zijn eigen lijflucht: soms smerig, soms lekker. Totdat je bejaard bent. Dan is er geen weg meer terug. Maakt niet uit hoe schoon ze zijn: alle bejaarden stinken.”
“Hoe ruikt dat dan?” vroeg ik.
“Naar tandsteen, Cacharel en de dood,” zei Heleen.
“Dat is wáár!” gierde ik. Maar even later liepen mijn neus en ik toch wat schichtig over straat. Alert op fijne geuren uit het verleden, maar bang voor die verre toekomst, walmend van tandsteen, Cacharel en de dood.

Fleur Meijer, VIVA redacteur
fleur.meijer@sanoma.com
Twitter: @lafleurfatale

Fleurs column vind je elke week in VIVA. Bestellen kan hier!