Fleurs column: Glasbak

Fleurs column

Als je mij vraagt: Fleur, wat is nu eigenlijk het moderne equivalent van de schandpaal dan wel scharlaken letter voor de hedendaagse, hypersociale, kinderloze dertigersvrouw woonachtig in de (rand)stad? Dan zeg ik ten eerste: wat een eloquent geformuleerde, belangrijke vraag is dit, hartelijk dank dat je dit aankaart. En ten tweede: de glasbak.

Elke gang naar de glasbak is voor bovengenoemde vrouw doordrenkt met louter schaamte en schande. Een verschrikkelijk maatschappelijk probleem, dat ik middels een persoonlijke anekdote onder de aandacht wil brengen.

(Even voor de duidelijkheid: het is dus de bedoeling dat iedere hedendaagse, hypersociale, kinderloze dertigersvrouw woonachtig in de (rand)stad zich in het hiernavolgende relaas glimlachend zal herkennen. Want ik weiger te geloven dat ik de enige ben en ik ontkén dat ik een bovenmatige drankzucht heb, hoor je, ik ontken het, en nu niet zo flauw doen, dat het allemaal begint met ontkenning, want ik leg het straks allemaal uit, ja? Gewoon verder lezen.)

Ik ben namelijk zo’n vrouw. Een vrouw met veel glas. Dat krijg je er nou eenmaal van als je huis een populaire aanlandplek is voor dorstige vrienden, en daarbij heb ik een Kameel die er ook bepaald niet in spuugt. En vooruit, oké: ikzelf ook niet, maar verder ontken ik dus alles.

Helaas valt dat glas op een gegeven moment niet meer te ontkennen. Ik keek er vorige week eens naar. Daar stond het, hoog opgetast onder het afdakje in de tuin. Zes grote, uitpuilende tassen vol lege flessen. Wijn voornamelijk, al zag ik ook wodka en een krat bier. Nu kon ik mijn moeder, die de volgende dag kwam eten, natuurlijk wijzen op de vele flessen Spa rood die ertussen zaten en het feit dat dit een verzameling van máánden is, maar dat risico wilde ik niet nemen. Ik moest dus de vernederende gang naar de glasbak maken. Alleen, helemaal alleen terwijl ik verre van alleen verantwoordelijk was voor deze Bonnie St. Claireske situatie. Zuchtend nam ik een voor een de tassen ter hand, deed de voordeur open en stalde ze uit op de stoep. En toen begon het.

Bovenbuurman Pieterke, die net op dat moment de voordeur uit kwam lopen met twee vrienden in zijn kielzog: “Jééézus, Fleurke!”

Overbuurman Elvis, die door zijn raam dit schouwspel zag voltrekken en voor deze gelegenheid maar naar buiten kwam: “Zó! Drankprobleempje?”

Zo giechelden ze wat af tezaam, terwijl ik de auto voorreed. “Ja, ja, help anders effe met laden, jongens,” probeerde ik nog, maar het was te laat. Schaamte en schande trokken een spoor door mijn lijf toen bleek dat het zo veel was dat ik de achterbank moest omklappen. En het werd nog erger toen ik, de heren schaterend achterlatend, richting de glasbak reed. Tas na tas sleepte ik uit de auto. Een keurig heertje dat naast me bezig was zes kuub oud papier te dumpen, keek misprijzend opzij terwijl ik de flessen in de bak kletterde.

“Feestje gehad?” zei hij. Rood aangelopen hield ik een fles omhoog: “Kijk! Olijfolie!”

Ontkenning is nu eenmaal de beste verdediging.

Fleur Meijer, VIVA redacteur
fleur.meijer@sanoma.com
Twitter: @lafleurfatale

Elke week lees je Fleurs column in VIVA. Online bestellen kan hier.