Fleurs column: ‘Gruwelijk, master, kapot, dope: ik krijg het mijn jong belegen bekje niet meer uit’

Het begint nu pas echt tot me door te dringen: ik ben op het betreurenswaardige punt in mijn leven aangekomen dat ik mijn ware leeftijd verraad met mijn woordgebruik. We komen allemaal op zo’n punt, maar toch: het is confronterend, alsook droef. Ja, ja, hoor ik je denken. Moet je ook maar geen woorden als ‘betreurenswaardig’, ‘alsook’ en ‘droef’ gebruiken. Dan klink je al snel als een ouwe dakduif met pochet. Maar dat is het niet. En ik zie er ook geenszins uit als een ouwe dakduif met pochet, dat scheelt ook. Nee, ik bak gewoon graag taal uit vervlogen tijden op, omdat ik belegen woorden elegant vind, maar vooral leuk. Léuk.

En precies dát woord bedoel ik. Leuk is het woord dat ons allen verraadt. Of eigenlijk: de synoniemen die we voor leuk gebruiken.
Die veranderen binnen een generatie een paar keer, en zijn ook nog eens streekafhankelijk. Waarom is onduidelijk en ook Google biedt geen soelaas (ik zei ‘soelaas’, mooi hè) maar ik vermoed dat het iets te maken heeft met het feit dat jongeren nogal prat gaan op dingen die leuk zijn. En die leuke dingen ook graag hardop benoemen. Maar als je de hele 
dag een woord als ‘leuk!’ zegt, gaat het tegenstaan en sowieso is het sappelen met de ‘eu’: het klinkt toch al gauw alsof je bezig bent iets onwelriekends uit je binnenste op te dreggen. Dus zijn de jongelingen altijd op zoek naar het nieuwe leuk. Persoonlijk is ‘mieters’ mijn lievelingsleuk. Dat zeiden jongelui in de vroege jaren 60: gangsta shit, nietwaar? Ze zeiden ook ‘kek’ en ‘puik’, wat ook al zo schitterend is. Ik spreek, om deze woorden te eren, tot op de dag van vandaag altijd van een puik plan en als iemand een leuk nieuw jasje aan heeft, zeg ik dat hij of zij een kekke jekker draagt.

Maar helaas is de spreektaal aan ondoorgrondelijke processen onderhevig en kon ik als jongeling in de jaren 90 niet meer wegkomen met ‘mieters’; hoe graag ik dat ook gewild had. Wij zeiden ‘gaaf’. Of, omdat jongelingen ook erg van de overtreffende trap zijn, ‘onwijs gaaf’. ‘Tof’ natuurlijk ook, ‘te gek’, en ‘súper-’ en ‘mégatof’ als we echt kei-enthousiast waren.
Niet dat geboren randstedelingen ooit ‘kei’ als voorvoegsel gebruikten, dat deden alleen zuiderlingen: vonden we geestig, doch niet geschikt. ‘Machtig mooi’ wél: die had ik een keer met redelijk succes geïntroduceerd op school. Geleerd op vakantie van een groep Drentenaren en nog steeds een krachtige en ondergewaardeerde ladingdekker als je het mij vraagt.
Maar goed, ik dwaal af.

Het punt is: ik zeg nog steeds ‘gaaf’, ‘tof’ en ‘cool’ met voorvoegsels als ‘mega’ en ‘super’. Net als iedereen rondom mijn bouwjaar. Gruwelijk, master, kapot, vet, dope en zélfs het alomtegenwoordige ‘chill’: ik krijg het mijn jong belegen bekje niet meer uit. Het klinkt niet. Ik klink als de ouders die vroeger ook ‘onwijs gaaf’ zeiden om kapot down met de jeugd te doen, waarna wij allemaal met onze ogen rolden.

Het leuk-synoniem uit je jeugd is gedoemd voor altijd je leuk-synoniem te blijven.
Het is confronterend, alsook droef. Maar het heeft ook wel iets mieters.


VIVA-journalist Fleur Meijer (35) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Lees meer columns van Fleur:

God en Elvis
Bedankt, rossige clown
Der club
Henk
Jazz
Weemoed
Schnapps und tabletten
Freelancen
Beautybloggers
Rauw
Logeren
Koken
WC
Arbeid
Roest