Fleurs column: ‘Ik zou alle sleutels ter wereld uitproberen als ik wist dat er een was die zou passen op mijn oma’s hoofd’

De zon probeert het nog door troostend te schijnen op het park waardoor ik loop. Het park probeert het ook en trekt een kitsch-la open met slempende bijen boven woekerende veldboeketten en schaterende eenden in het water. Er fladdert zelfs even een vlinder met me mee.

Het helpt allemaal niks. Mijn gedachten rijgen beelden aaneen en ik voel een storm opkomen.
Ik denk aan die lange vreemde gang waar ik een paar dagen geleden doorheen liep. Onwennig, onbestemd, zoekend naar de juiste kamer. Ik denk aan de verpleegster die verschijnt en vraagt voor wie ik kom. Aan hoe ze me daarna meeneemt de gang door: ze is onrustig momenteel, vertelt ze, misschien kan ik haar wel kalmeren. Ik zie ineens weer haarscherp hoe ze daar staat achter haar rollator, een blik in haar ogen die ik nog niet eerder had gezien. Het is angst, zie ik nu.

Ik hoor haar weer schreeuwen over de vuile rotzakken, de criminelen die hier wonen. Ze hebben haar sleutel gestolen en houden haar gevangen. ‘Help me zoeken, Fleur, hélp me dan.’
Ik zie beelden van haar kamer, waar we op haar kleine bed zitten en ik maar blijf zeggen dat ik niet weet waar de sleutel is: ‘Nee oma, echt niet.’ Ze roept dat ik bij hen hoor, dat ik haar ook gevangen hou. Dat ik een rótkind ben, altijd al geweest.

Ik denk daarna aan sleutels. Hoe ik alle sleutels van de wereld zou uitproberen als ik wist dat er een was die past op de deur in haar hoofd. Daarachter zit mijn oma: bang, alleen, klaar om voorgoed bevrijd te worden.

Ik zie haar zitten op een stoel, een dag later. Haar stem klinkt nu helder. ‘Het is geen moord, je hélpt me.’ Ik denk aan de wetten die dat verbieden, aan Kees van der Staaij en zijn gereformeerde melkmuil.

Ik loop door, mijn voeten zwaar, mijn wangen nat. Boven op een heuvel zit een oude vrouw op een bankje. Dan zie ik de rest. Naast haar zitten vier poppen, van baby tot peuter, in bloemen- en ruitjesjurken met dode ogen naar de eenden te staren. In de kinderwagen vóór haar zitten er nog een stuk of acht. De oude vrouw wiegt de wagen heen en weer en neuriet voor zich uit. Ik probeer niet te kijken, maar ik doe het toch.

‘Mevrouw,’ zegt ze. ‘Kunt u mij helpen?’ Ze heeft zwarte tanden, zie ik.
‘Mooie poppen,’ zeg ik.
Ze schudt met haar hoofd, haar grijze, klitterige knot beweegt mee.
‘Dat zijn mijn kinderen.’
‘Sorry, natuurlijk,’ zeg ik.
‘Heeft u vier euro voor me mevrouw? Voor de bus naar het ziekenhuis. Anders gaan ze me zoeken.’
‘Weten ze niet waar u bent?’ vraag ik.
‘Nee, ik ben ontsnapt,’ zegt ze, en ze neemt een jongenspop met piekhaar op schoot.
‘Ik wilde even lopen. Dit is Joepie. Heeft u nou vier euro voor me?’
Ik geef haar een briefje van vijf.
‘Hier. Maar blijft u vooral nog even zitten. De zon schijnt.’


VIVA-journalist Fleur Meijer (35) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Lees meer columns van Fleur:

Logeren
Koken
WC
Arbeid
Roest
Leuk
Molenplas
Gilles de la courgettesoep
Dronken
Carb lover
Kastje des doods
Throner
Eekhoorn
Spijt
Slager