Fleurs column: ‘Ineens leek ik lek, omdat ultiem verdriet me prikte op plaatsen binnenin’

Ik was de afgelopen week in Frankrijk en leerde daar dingen. Ik leerde dat ultiem geluk je vindt op een klapstoel bij het vuur. Ik leerde dat ultiem verdriet je vindt op de achterbank van een Jeep. En ik leerde dat als deze twee uitersten je in een week vinden, je merkt hoezeer geluk en verdriet van clichés aaneen hangen. Ja sorry, ik weet dat ik normaal gesproken schrijf over prangender kwesties als een deurbel, dieet of Gilles de la Courgettesoep. Maar dit moet even.

Laat ik anders gewoon de details vertellen. Op filosofisch gebied ontstijg ik het kampvuurniveau toch niet en trouwens: alsof je op een klapstoel bij het vuur ultiem geluk vindt met interessant doen over de literaire canon.

Nee. We zaten gewoon Pastis te zuipen en hadden ons voor de gelegenheid een boers accent aangemeten waar we niet mee konden stoppen. Daar lachten we heel erg hard om en onderwijl bleven de mannen grote stronken walnotenhout in het vuur schuiven en dat noemden we dan skúúfhoet. Even daarvoor hadden we met z’n allen gekookt op een manier die Jamie Oliver natte ogen en een trillip bezorgd zou hebben. In een robuuste buitenkeuken. Die de vriend van wie het was zelf gebouwd had, net als het huisje dat erbij hoorde trouwens. Er hingen gekleurde lampionnen boven de haard, die ook als barbecue diende. Hij had aan de haard een soort krik gemaakt, zodat je het gloeiende hout naar je vlees toe kon krikken. Of, in het geval van de avond van het ultiem geluk, naar de verse zeebaarzen die ik op de markt in mijn stotterendste Frans had besteld. Die wilde ik grillen en daarna dichtschroeien door het vuur op te laaien met bossen droge, wilde venkel die overal op zijn land groeide, net als tijm, laurier en een boom vol dieppaarse, zalig klefzoete vijgen die me even deden vergeten dat ik op een suikervrij dieet was.
En wel meer ook.

Door de avond met de perfecte loup de mers met de wilde venkel, de Pastis en het skúúfhoet, vergat ik ook even dat ik een telefoon had. Ik voelde alleen het cliché van het geluk in kleine dingen, met goede vrienden en je geliefde onder een Zuid-Frans sterrendek.

Toch schrok ik de nacht voor vertrek om half vier wakker en greep naar m’n telefoon. Niets. Gelukkig.

Toen om zes uur de wekker ging, greep ik er weer naar. Vanaf dat moment leek ik ineens lek. Lek omdat ultiem verdriet me prikte op plaatsen binnenin. Oma was om kwart voor vier vredig ingeslapen. Precies zoals ze wilde, en precies zoals ik het voor haar wilde. Maar toch bleef ik stromen en stromen en stromen, stil op de achterbank van de Jeep. De Kameel hield misschien wel tien uur mijn hand vast. En ik liet me maar prikken met beelden. De allerliefste, veiligste en mooiste beelden uit mijn jeugd, waar zij altijd bij was, want zij wás mijn jeugd. Met haar is het afgesloten, nu echt. Wat rest is een hoofd vol herinneringen en een allesomvattend gevoel van dankbaarheid en liefde.

Wat ik zeg: geluk en verdriet hangen van clichés aaneen.
En daarin zit precies de troost.


VIVA-journalist Fleur Meijer (35) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Lees meer columns van Fleur:
WC
Arbeid
Roest
Leuk
Molenplas
Gilles de la courgettesoep
Dronken
Carb lover
Kastje des doods
Throner
Eekhoorn
Spijt
Slager
Oma
Whatsapp