Fleurs column: Kattenvrouwtjes

Het was een heuglijke dag. Dat wist mijn nichtje Eef maar al te goed. De adventskalender die al weken in haar kamer hing omdat ouders nu eenmaal niet élk kwartier genegen zijn om vragen over het aantal nachtjes slapen te beantwoorden, gaf nu toch echt aan dat het vandaag zou gebeuren. Er was een mand, er waren rubberen balletjes, een vilten muis die ongetwijfeld wreed aan zijn einde zou 
komen, en natuurlijk een collectie tekeningen voor de moederpoes omdat het toch wel erg lief was dat ze zomaar een baby weggaf. “Dank je wel voor Pip. We zullen heel goed voor haar zorgen,” had ze plechtig gedicteerd.

Nog geen drie, en nu al een echt kattenvrouwtje. Heeft ze van haar tante. Op haar leeftijd wist ik niet beter dan dat ik later met Fluor zou trouwen. Dat 
hij een half oor had, nauwelijks tanden en er uit 
zijn bekje een walm kwam van een kudde rottende karkassen, zag ik daarbij niet als een probleem. 
Fluor was lief, je kon hem aaien, en meer heb je 
feitelijk niet nodig in een goed huwelijk. Dat katten de neiging hebben om eerder te sterven dan jij, wist ik natuurlijk nog niet. Dat gebeurde pas toen ik zestien was en hij eenentwintig. En hoewel dat een zeer respectabele leeftijd is en ik bovendien al had ontdekt dat mensenjongens ook zo hun kwaliteiten hadden, huilde ik mezelf toch minstens een week in slaap. Kattenliefde heeft een keerzijde, dat weet ik dan helaas weer al te goed. En ik kon niet anders dan uitgerekend op deze heuglijke dag aan Otis 
denken. Mijn grote liefde. The one that got away. Vier jaar geleden zat ook ik in de auto om Otis en 
zijn zusje Amy op te halen. Twee ragdollkittens, de pluizigste, mooiste die ik ooit had gezien, en die nu
zomaar van mij waren. Er volgde een jaar waarin ik elke dag bijna vloeibaar van liefde thuiskwam, omdat ik wist dat ze achter de deur op me zaten te wachten. En vloeibaar van liefde opstond, omdat Otis altijd met zijn pootjes mijn buik kneedde, hard spinnend en gul kwijlend.

Waarom uitgerekend hij ’s nachts zelf de voordeur openmaakte om voorgoed te verdwijnen, zal ik nooit weten. Wat ik wel weet, is dat ik van pure ellende 
tien kilo afviel en dag en nacht manisch ben gaan zoeken, ook al was de gevoelstemperatuur min tien. Duizenden flyers heb ik in brievenbussen gegooid, tot mijn vingers er van bloedden. En toen dat niet hielp, stelde ik zelfs een paranormaal team samen van twee dierentolken en een paragnost. Wat natuurlijk ook niet hielp, maar wie wanhopig is wil zo graag 
geloven, en kattenvrouwtjes zijn natuurlijk allemaal een beetje gek.

Eef ook, constateerde ik tevreden. Ze schaterde het uit bij elke beweging van het springerige hoopje haar en kreeg precies die glazige blik die ik zo goed ken. “Jij bent mijn beste vriend, Pip,” zei ze.
“Blijft ze nu echt voor altijd bij ons?”
“Ja,” zei ik. “Voor altijd en eeuwig.”
En toen moest ik toch weer even slikken.


 

VIVA-journalist Fleur Meijer (34) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Je kunt het blad hier online bestellen.

fleur.meijer@sanoma.com
Twitter: @lafleurfatale

Lees meer columns van Fleur:
Treinleed
Factor Twintig
Amsterdamned
Wormgat
Mannetjes
Penisnood
Je suis Kruidvat
Kolonisatie
Ikea
Tatoeaties