Fleurs column: Krabbegat

Fleurs column

Mijn Noord-Hollandse afkomst heeft ongetwijfeld z’n voordelen, maar welke weet ik even niet precies. Ik bedoel, Haarlem is mooi hoor, maar iets gezelligs als een dialect heb ik er bijvoorbeeld nooit geleerd. Vloeiend ABN, dat wel. Wat in mijn geval betekent dat ik, zoals een toehoorder uit andere contreien ooit giechelde, praat als ‘zo’n sherryslempend baronesje’. En ik hóu niet eens van sherry, kun je nagaan. Maar slempen, eerlijk is eerlijk, gaat me uitstekend af. Daarom is het des te treuriger dat ik dankzij mijn afkomst ook totaal niet bekend ben met carnaval. Een groot gemis, want ik vind het fenomeen met al die prinsen, parades en portiekkotsers echt machtig interessant. En zo gezellig ook, met dat dialect.

Nu wil het toeval dat de Kameel, die bofferd, uit Bergen op Zoom komt. En het kostte een paar jaar, maar eindelijk achtte hij de tijd rijp om mij vorige week eens mee te nemen naar het zuiden voor mijn allereerste carnaval. Maar uiteraard niet voor hij me onderweg in de auto een inleidende workshop gaf. “Ten eerste,” dicteerde de Kameel, “Vastenavend. Géén carnaval. Bij ons in ’t Krabbegat doen we het helemaal anders.”

Hij oreerde vervolgens dat Vastenavend iets was met het aftellen naar de lente, en dat er niet alleen een prins was, maar ook een nar, een brigadier en een grote boer en de kerk op de Grote Markt heette ineens de Peperbus en had een gezicht en een jasje aan. Voorts was er nog een heks die Hekswana heette en die had een kraai, en aan het einde van de Vastenavend viel die kraai op het plein. Waarom dit allemaal zo was, wist de Kameel ook niet. “En dan?” vroeg ik.
“Dan dansen we met z’n allen de zevensprong en gaan we naar huis,” aldus de Kameel.

“Aha,” zei ik maar, want wat moet je anders. Hij zette dweilmuziek op, de enige muziek die de komende avond voorhanden was. “Leut, dweilen en ouwehoeren, daar gaat het uiteindelijk om,” sprak hij samenvattend. En om verkleden natuurlijk, dat hadden we ook nog. In ’t Krabbegat aangekomen werd ik aangekleed volgens de daar en nergens anders heersende voorschriften: een boerenzakdoek, vitrages om de nek geknoopt en ‘iets leutigs op je hoofd’. Ik zag er nu, inclusief bontjas en legerhelm vol bloemen, uit als koningin Wilhelmina, daags voor haar gedwongen opname op de gesloten afdeling. En was dan ook, volgens de Kameel, ‘perfect gelukt’. “Kom op, we gaan. Agge maar leut et!” sprak ik ingeburgerd, afgezien van die sherryslempende baronesjesstem.

Negen korte uren later maakte ik de Vastenavendbalans op. Ik was a. tamelijk lazarus maar had dankzij de gulle Krabben al mijn drankbonnen nog, had b. een bontjas vol bier, c. gezwaaid naar de prins, d. sjans gehad met een man die een bos wortelen op het hoofd droeg en e. gedweild als een local, al zeg ik het zelf.

“En? Snap je het nou een beetje?” vroeg de Kameel.
“Nee,” zei ik.
Ik verheug me nu al op volgend jaar.


VIVA-journalist Fleur Meijer (34) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Je kunt het blad hier online bestellen.

fleur.meijer@sanoma.com
Twitter: @lafleurfatale

Lees meer columns van Fleur:
Zorgexamen
Huiskamercafé
Ziek en volwassen
Balans
Mijlpaal
Sint is satan
Alarm
Landen
Reislijder
Saai Jong Stel
Oma
Septemberissues
Vlooien
Kattenleven
Vlees, Vlaanderen en film
Festival