Fleurs column: Oma

fleurs column

Een mooie leeftijd. Het is goed zo. Dat zeg je tegen elkaar en denk je keer op keer, omdat het er alle schijn van heeft: wie 96 jaar wordt, valt binnen de magische marge die de dood ineens acceptabel maakt. Nu mag het, nu is het normaal, nu is het even huilen, herdenken en weer door, want we hebben er allemaal echt vrede mee.

De crematie was daarom ook even sober als het bloemstuk op de lichte, ruwhouten kist. We zaten eromheen, kinderen en kleinkinderen, in een letterlijk besloten kring. Wetend dat in die kist een oma en een moeder lag die er ons hele leven is geweest als een voldongen feit, maar nu niet meer en dat was goed zo, dus we probeerden niet te veel te huilen.

Herdenken: daar ging het nu om. Dus ik dacht tijdens Frank Sinatra (‘And I think of my life as vintage wine. It poured sweet and clear, It was a very good year’) aan bloemkool met kaassaus en aan tomatensoep. Omdat niemand dat zo lekker kon maken als zij, of misschien ook wel, maar dan nog was die van haar het lekkerst, simpelweg omdat ze mijn oma was. En ik dacht tijdens Tom Jones (‘Yes, they’ll all come to meet me, arms reaching, smiling sweetly. It’s good to touch the green, green grass of home’) aan die keer dat we naar ‘Assepoester’ gingen in de bioscoop, maar dat oma zei dat ze zich – ‘Zo klaar, lieverd’ – nog héél even moest opmaken. En, met haar jas al aan en een zijden sjaaltje om, voor de gangspiegel een tijd in de weer was met potloden, stiften en kwasten, maar vooral ook rouge, want daar was ze dol op. Toen we aankwamen in de bioscoop, waren de muizen al bezig de jurk van ‘Assepoester’ te maken, wat ik toen al heel grappig vond. “IJdel tot in de dood!” lachte ze altijd.

IJdel tot in de dood. Ik probeerde nu uit alle macht niet te denken aan de laatste keer dat ik haar zag. Aan dat kleine, krijtwitte, kromgegroeide restant van de lange, blakende vrouw die ze ooit was, ook zonder rouge. Ze zat op de bank, met haar ogen dicht, zuchtend. Het monster dementie in haar, de dood ernaast. Ik wist dat ze een luier droeg.

Ik probeerde nu ook niet te denken aan mijn moeder, die me opbelde en vertelde dat oma kermde van de pijn, merg, been, alles, maar toch wilde de dokter haar niets geven om in te slapen. Omdat hij meende dat het nog wel ging, dat haar lichaam het vanzelf zou opgeven. Ze snikte dat het mensonterend was en ik voelde op mijn beurt de woede en pijn van mijn moeder door mijn maag snijden. Want moeders horen niet te kermen van de pijn in hun luiers. Dat kan niet, dat mag niet. Misschien horen moeders wel helemaal nooit dood te gaan.

Misschien is haar dood wel acceptabel, maar haar einde niet. Ik wist niet meer wat ik moest denken. Toen klonk ‘Let it be’.

Fleur Meijer, VIVA redacteur
fleur.meijer@sanoma.com
Twitter: @lafleurfatale

Elke week lees je Fleurs column in VIVA. Online bestellen kan hier.