Fleurs column: Tandsmart (1)

Fleurs column

Omdat een motto in het leven vaker van pas komt dan je denkt, heb ik er voor de zekerheid gewoon twee, dan grijp je tenminste nooit mis. Voor mij 
werkt ‘There’s a crack in everything, that’s how the light gets in’ bijvoorbeeld erg goed, omdat Leonard 
Cohen in deze zin zomaar even een diepe, wijze waarheid neerzet waar ik nu helaas even niet 
filosofisch over kan uitwijden omdat ik meer te 
vertellen heb, maar die mij altijd hoopvol en zen stemt. Mijn tweede motto staat wat meer op zichzelf, maar ik vind ‘later lach je erom’ daarmee 
niet minder wijs en waar.

Met zulke motto’s (motti?) op zak kun je wel tegen een stootje, dacht ik zo. Maar toen had ik niet op de afgelopen week gerekend. Een week waarin Murphy en zijn wet op de eerste rij een zak popcorn zaten 
te vreten, terwijl ik transformeerde in een creperende Erica Terpstra. Ik begrijp dat ik dit nu moet uitleggen, al vrees ik dat dit in twee delen moet.

Maar goed, het begon met een bezoek aan de tandarts. Iets waar ik totaal niet bang voor ben, want op tandgebied ben ik een gezegend mens: kaarsrechte tanden zonder beugel, nooit gaatjes, vier keurige verstandskiezen. Tot ik laatst tien 
minuten in foetushouding op de grond lag omdat ik onverwacht op iets hards beet. Later begon de kies te kloppen, werd ik ’s nachts koortsig wakker, enfin: er was iets aan de hand. Dat was ook zo, verzekerde de tandarts me terwijl hij mijn kies bemondkapt 
bekeek door een soort omgekeerde verrekijker. “Een typisch geval van een cracked tooth. Gescheurd dus.” “Ewwwhn nwu?” vroeg ik voor zover dat gaat met een mond vol tang. “Hij moet eruit. Of we kunnen eerst proberen te lijmen. Dat geeft wel wat napijn.” “Lwijmen! Lwijmen! Nwie me kiesj dwruit!” gorgelde ik.
Een halfuur later stond ik nog kwijlend van de verdoving bij de kaasboer een stuk ‘Twelschiewlinger kwaasj’ te bestellen, wat met flink wat wijzen nog best lukte. Bovendien had ik al m’n tanden nog, dus wat zou ik zeuren? En daarbij: een cracked tooth! Hoe verzin je het? Maar kom op: that’s how the light gets in, en later lachte ik er vast om. Ik hield mijn motti kortom hoog in het vaandel en toog moedig huiswaarts.

Maar toen werkte de verdoving uit. De pijn was gloeiend, kloppend, spuwend, pulserend, allesoverheersend en afschuwelijk. Ik ijsbeerde heen en weer, en belde zacht wenend de Kameel. “Komt wel goed. Gewoon een beetje napijn,” suste hij. “Kan ik nog 
wat voor je meenemen?”

“Heroïne,” kreunde ik. Een klassieke fout, want nu dacht hij dat ik me aanstelde. Ik begroef mijn hoofd in de bank. De Kameel kwam thuis met ibuprofen, wat ik voor het gemak ook maar goed rekende. Twee dagen lang popte ik ibuprofen als een ontaarde huismoeder bij Dr. Phil en probeerde niet te veel hardop te kermen.

Tot ik op de derde dag wakker werd en mezelf in 
de spiegel zag. Erica Terpstra. Nee, erger: Jabba 
the Hutt.

En toen belde Murphy ook nog aan.

Lees hier het tweede deel van Tandsmart.


 

VIVA-journalist Fleur Meijer (34) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Je kunt het blad hier online bestellen.

fleur.meijer@sanoma.com
Twitter: @lafleurfatale

Lees meer columns van Fleur:
Zorgexamen
Huiskamercafé
Ziek en volwassen
Balans
Mijlpaal
Sint is satan
Alarm
Landen
Reislijder
Saai Jong Stel
Oma
Septemberissues
Vlooien
Kattenleven
Vlees, Vlaanderen en film
Festival