Fleurs column: Tatoeaties

Het was heet en dat kwam mooi uit, want ik had toch al zin om naar mensen te loeren. En dan het liefst naar een bonte melange van mensen, zodat ik een kloppende vinger aan de pols van de samenleving kon houden. Of zoiets. Ik ging in elk geval naar Woodstock, want in deze braadbak in Bloemendaal aan Zee zit je uitstekend als het gaat om ‘bont’ en ‘melange’.

Ik plofte neer in een lederen oudemannenfauteuil, keek om me heen, en verdomd: ik had wel degelijk in een oogopslag iets samenlevingachtigs te pakken. Tattoos. Echt ie-de-reen had tattoos. Nu ben ik bij Woodstock, van oudsher al een sammelplatz voor hip, hipster en hippie, wel wat gewend op het gebied van tatoeaties (zoals mijn taalinventieve buurvrouw, die Xenos uitspreekt als Iks-enos, het altijd zegt). Maar dat tegenwoordig zóveel mensen ze hebben was me even ontgaan. Fascinerend. Ik heb zelf nooit de behoefte gehad aan tattoos, want tattoos gaan er nooit meer af en dat gegeven alleen al vind ik doodeng. Want dat betekent dat je iets moet uitkiezen waarvan je zéker weet dat je het je hele leven mooi blijft vinden. Terwijl ik ooit ook zéker wist dat Mariah Carey prachtige muziek maakte, dus daar ga je al.

Enkel lof en bewondering voor mensen die wél fiducie hebben in hun eigen smaak overigens. Nu viel er tenminste nog wat te zien op het strand. Erg veel dromenvangers bijvoorbeeld, allemaal op vrouwen die tijdens het festivalseizoen ineens parttimen als hippie. Veel pijlen, op onderarmen van beautyblogminnende meisjes met moeilijke vlechten. Sterren uiteraard, heel veel sterren. De stakkers, want sterren zijn hard op weg de nieuwe aarsgeweien te worden, met alle hoon van dien. Een vrouw, middelbaar en kroketbruin, had zich zelfs met én tribals, én gothische letters (‘Live, laugh, love’: welja), én sterren, én lotusbloemen, én een boeddha, én een dromenvanger onder laten kalken. Trendgevoelig type. En dan natuurlijk nog de sleeves. Wat stelt een Randstedelijke jongeman tegenwoordig nog voor zonder een sleeve? Het lijkt er in elk geval op dat ze allemaal kletsnat dromen over een parallel bestaan als exotische krijger, want al die armen zitten vol met Maori’s, Aztheken en allerhande hiëroglyfen.
En ik zat daar maar, in mijn oudemannenfauteuil, hoofdschuddend te denken aan hoe dat alles er dus nóóit meer af ging.

Er kwam een jongen naast me zitten. Een pronkstuk, mag ik wel zeggen. Hij had het soort uitgerekte oorlellen waar je zeildoeken aan kon spannen, een knot en hij was van nek tot teen bezaaid met honderden tattoos in klassieke zeemansstijl. ‘Jongen, hoe moet dat nou met solliciteren?’, zei ik net niet hardop. Gelukkig maar, want hij bleek heel aardig en bovendien had hij een verdomd goede baan. Wat ik wel hardop zei: ‘Hee, maar hoe weet je zéker dat je al die tattoos nou altijd mooi blijft vinden?’ ‘Dat weet ik niet’, antwoordde hij. ‘Het zijn allemaal momentopnames. Net als het leven zelf. Dat is nou juist het leuke.’ En daarmee zei hij iets dat zomaar een kloppende vinger aan de pols van de samenleving was.

Of zoiets.


VIVA-journalist Fleur Meijer (34) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Je kunt het blad hier online bestellen.

fleur.meijer@sanoma.com
Twitter: @lafleurfatale

Lees meer columns van Fleur:
Treinleed
Factor Twintig
Amsterdamned
Wormgat
Mannetjes
Penisnood
Je suis Kruidvat
Kolonisatie
Ikea
Soepele lendenen